FILOSOFIE
&
PRAKTIJK


Praktische problemen in filosofisch perspectief


VERS VAN DE PERS: 

FILOSOFIE & PRAKTIJK 37 (2016) 3 

met bijdragen van:
Gürkan Celik & Karel Steenbrink
Jannes van der Meer
Merel Brabers
Francois Levrau
Mariëtte van den Hoven & Kirsten Pols
&
Heleen Pott

Voor meer informatie zie: NIEUW VERSCHENEN.


EERDER VERSCHENEN, 2016:

FILOSOFIE & PRAKTIJK, 37 (2016) 2 - Een Goede Dood:

Inleiding: een goede dood? 

Ton Vink 

De goede dood of ‘eu thanatos’ wordt tegenwoordig heftig bediscussieerd en je kunt nauwelijks een krant openslaan of de tv aanzetten, of daar is ie… In de vorm van films en documentaires (‘Voor het te laat is…’ of misschien toch beter: ‘Voor ik het vergeet…’), discussies, drama’s (‘Tuitjenhorn’…) ooggetuigenverslagen, rapporten (Commissie-Schnabel), handreikingen van en voor beroepsverenigingen. En zo voort.        Op 19 en 20 mei j.l. organiseerde HOVO-Nijmegen twee dagen met lezingen aan de Radbouduniversiteit over ‘een goede dood’. HOVO richt zich op hoger onderwijs voor, inderdaad, ouderen. En die zijn waar het deze discussie over, maar ook praktijk van, een goede dood betreft natuurlijk ‘doelgroep’ in meer dan een betekenis. Dit nummer van F&P – met dank ook aan redacteur Patrick Delaere – bevat de (al dan niet bewerkte) teksten van de diverse voordrachten van de bewuste lezingenreeks door resp. Vincent Hunink, Wouter Schrover, José Sanders, Marjolein Rikmenspoel, Annemarieke van der Woude en Ton Vink.

Vincent Hunink opent dit nummer met zijn bijdrage “Seneca en de goede dood”. Hunink vertrekt daarbij vanuit het werk van  de Amerikaanse schilder William Utermohlen (1933-2007) die, net als Tom in het emailbericht hierboven, op enig moment te horen kreeg dat hij aan Alzheimer leed. De schilder – daar is hij schilder voor – besloot zijn ziekteproces deels vast te leggen via een reeks zelfportretten. Het resultaat in de laatste portretten: “Een impressie van een neus is al wat uiteindelijk resteert: de rest is verdwenen.” “De wijze man (of vrouw) verlaat het leven dus, indien nodig, met geheven hoofd en zonder protest”, zo vat Hunink samen. Maar ja, wanneer is dat “nodig”? Anders gezegd: “de grote vraag is natuurlijk wanneer het juiste moment is aangebroken om zelf je levenseinde te bespoedigen”. Seneca heeft daar zijn eigen gedachten over, maar hij “heeft niet één strak schema dat op iedereen onverkort van toepassing is.” Bepaald actueel is Seneca ook, aldus Hunink, in zijn opvatting dat, wanneer het tot deze ‘goed dood’ komt, geldt: “Het gehele stervensproces wordt volledig bepaald door de stervende zelf, in complete autonomie.” 

Heeft Seneca zijn eigen opvattingen over de ‘goede dood’ ook persoonlijk in praktijk gebracht? Daarvoor hebben we de literatuur nodig, die waar het Seneca betreft, beperkt is tot Cornelius Tacitus (Annalen 15,62-64). De literatuur over de huidige ‘goede dood’ is allesbehalve beperkt te noemen. Wouter Scrover gaat er nader op in in zijn bijdrage “Euthanasie en hulp bij zelfdoding in de Nederlandse romanliteratuur”. Om te beginnen staat Schrover stil bij de wijze waarop de literatuur de onkritische aanwending van de medische technologie heeft bekritiseerd – de waarden van autonomie en barmhartigheid staan daar centraal. In het tweede gedeelte van zijn bijdrage laat hij zien dat er in veel literaire werken een positieve waardering is van de mogelijkheid van levensbeëindiging, maar dat dit niet noodzakelijk leidt tot een volledige afwending van de problematische aspecten van de praktijken van euthanasie en hulp bij zelfdoding. In het derde gedeelte gaat hij nader in op de thematiek van het voltooide leven, om in het vierde gedeelte af te sluiten met de dystopische visies die in de literatuur over levensbeëindiging ook dikwijls aanwezig zijn.

En zo heeft, naast film en theater, ook de literatuur haar eigen plaats verworven binnen deze discussie die weliswaar wereldwijd gevoerd wordt, maar waarin Nederland toch altijd een bijzondere rol heeft gespeeld. De verwijzing naar film, theater, literatuur, voert als vanzelf naar de rol van “de media”. En die rol is onderwerp van de bijdrage van José Sanders “Het ‘framen’ van de goede dood. Media en gezondheidsvoorlichting over levensbeëindiging bij voltooid leven”. Met de discussie rond ‘voltooid leven’ als voorbeeld, rijst wat de media betreft de vraag “vanuit welk perspectief wordt gekeken naar ‘voltooid leven’: welke beelden roept dit op, op welke benadering van het levenseinde wordt nadruk gelegd en wie speelt daarbij een rol? In de communicatiewetenschap kan een dergelijke studie plaatsvinden vanuit het concept van framing. Hiermee wordt gedoeld op de invalshoek van waaruit situaties worden benaderd of ingekaderd.” Deze framing kan helder en duidelijk zijn: “Iemand die gewapenderhand in opstand komt tegen het gezag kan in de journalistiek een terrorist worden genoemd, wat impliceert dat hij slecht is en bestreden moet worden, of een vrijheidsstrijder, wat impliceert dat hij goed is en geholpen moet worden.” Ook de gevolgen zijn helder en duidelijk. ‘Voltooid leven’, ‘samen sterven’, ‘de goede dood’, framing doet zich in deze discussie voortdurend gelden. Eigenlijk al op een heel basaal moment: “Een verruiming van keuzes rond levensbeëindiging bij voltooid leven zou sommige mensen kunnen confronteren met beslissingen die misschien niet gezocht zijn en met opties waar men anders misschien niet opgekomen zou zijn. Dat is niet per se winst voor iedereen.”

 In haar korte bijdrage “Verloskunde” wijst Marjolein Rikmenspoel erop dat onze ‘euthanasiewet’ geen eisen stelt “omtrent de behandelrelatie tussen arts en patiënt” en zij verdedigt het belang van de aanwezigheid van zo’n behandelrelatie: “Een behandelrelatie veronderstelt mijn inziens een vertrouwensrelatie, die door de jaren heen, op basis van verschillende situaties tussen mensen, in dit geval arts en patiënt, met vaak ook betrokkenheid van gezinsleden van patiënt, wordt opgebouwd. Doordat een arts vaker goed advies geeft ontstaat bij de patiënt een vertrouwen in de deskundigheid, maar ook in de persoon van de arts. Er is niet alleen sprake van een beoordeling, een vertrouwen in kennis, maar ook van vertrouwen in het juiste inschattingsvermogen en, idealiter, in het feit dat de arts zijn patiënt begrijpt.”

De levensbeëindigingen van Wim Brands, Joost Zwagerman, Rogi Wieg, en de commotie die erdoor onstond, vormen het uitgangspunt voor de bijdrage van Annemarieke van der Woude “Terminaal ziek en niet-terminaal ziek. Over de grens tussen hulp bij zelfdoding en zelfdoding.” Van der Woude bepleit het maken van een onderscheid: “In de hedendaagse Nederlandse euthanasiepraktijk kun je onderscheid maken tussen ‘opzettelijke levensbeëindiging op verzoek van een patiënt die terminaal ziek is’ en: ‘opzettelijke levensbeëindiging op verzoek van een patiënt die niet terminaal ziek is, maar desondanks niet verder wil leven’. Arts, samenleving en naasten spelen ieder hun eigen rol als het gaat om de keuze voor een zelfgekozen levenseinde: “Naarmate iemand in grotere vrijheid zijn stervensmoment bepaalt, kunnen de emoties die dit overlijden oproept tegenstrijdiger zijn.” Van der Woude bepleit in haar bijdrage dan ook “om de term ‘euthanasie’ te reserveren voor die gevallen van overlijden waarbij iemand terminaal ziek is en bij het sterven geholpen wordt door een arts die zich houdt aan de zorgvuldigheidseisen.”

De Minima Philosophica in dit nummer bevatten de “Zijgedachten bij een goede dood” van Patrick Delaere. Via zijn zijgedachten bij o.a. het rapport van de Commissie-Schnabel inzake ‘voltooid leven’, de Levenseindekliniek en de bijdragen van en in de media, besluit hij met: “De laatste jaren wordt in Nederland onder de tucht van de markt de zorgzame samenleving meedogenloos afgebroken. Misschien is de in diezelfde jaren gemelde toename van euthanasieverzoeken in dat land niet alleen een triomf van de zelfbeschikkende mens, maar ook een treurig gevolg van een groeiend maatschappelijk probleem: het gebrek aan bereidheid om elkaar de voorlaatste eer te bewijzen.” 

Als laatste volgt de bijdrage van Ton Vink “Een ‘goede dood’ in praktisch-ethisch perspectief. Morele dilemma’s rond een goede dood”. Die morele dilemma’s vloeien voort uit een viertal vragen die aan deze bijdrage ten grondslag liggen: (1) Wat maakt een ‘eu thanatos’ tot een goede dood? (2) Hoe staat het met de verhouding samenleving – individu? (3) Moet iets legaal zijn om het te mogen? (4) Hoe belangrijk is het onderscheid tussen het doden van een ander en het doden van jezelf? In zijn antwoorden laat Vink zien welke kenmerken een zelfgezochte goede dood tot een goede dood maken. Die kenmerken staan zeker niet los van de verhouding individu-samenleving (op dit punt hoort de commissie-Schnabel bekritiseert te worden en dat gebeurt dan ook). Hij verdedigt verder dat uiteindelijk maar één stem het zwaarst mag wegen. Voorts dat daarbij iets niet noodzakelijk legaal hoeft te zijn, om het toch te mogen (een gedachte waarmee menigeen zijn/haar voordeel zou kunnen doen). Ten slotte bepleit de auteur (hernieuwde) erkenning van het morele belang van het onderscheid dat voorwerp is van de vierde vraag: het onderscheid tussen het doden van een ander en het doden van jezelf. Een en ander zou, zou luidt de conclusie, niet zonder invloed mogen blijven op de praktijk van ‘de goede dood’. 

De rubriek Signalementen besluit, zoals gebruikelijk, het formele deel van dit nummer van F&P.


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 37 (2016) 1 - Morele Kwesties

Inleiding

Ton Vink

Hoop op een beter leven beweegt tienduizenden mensen om huis en haard te verlaten en een barre tocht te beginnen door tal van landen op weg naar een toekomst die – denken zij – altijd beter is dan de onveiligheid, armoede en uitzichtloosheid waarin ze verkeren. Volgens sommigen is hun hoop in veel gevallen vals. Ook drijft hoop op uitstel van de dood velen die een dodelijke ziekte hebben ertoe steeds nieuwe behandelingen te ondergaan, ook experimentele, nog onvoldoende geteste behandelingen. Hun hoop wordt eveneens vaak vals genoemd.
    Maar wanneer is hoop vals? En is het erg om valse hoop te hebben? Is het beter geen hoop te hebben dan valse hoop? Over al die vragen gaat dit artikel, een voor F&P bewerkte versie van de afscheidsrede ‘Valse hoop’ van Bert Musschenga, nu dus emeritus-hoogleraar. Het eerste deel gaat over de definitie van hoop; het middenstuk bespreekt wat valse hoop is en wanneer dat moreel problematisch is. In het laatste deel richt Musschenga zich op valse hoop in de context van geneeskunde en medisch handelen.

Het is eerder ‘kosmische hoop’ die Marleen Schuijer motiveert tot haar bijdrage “De volgende sprong voor de mensheid? Ethische overwegingen bij de exploitatie van de ruimte.” De afgelopen jaren heeft de ruimtevaart letterlijk en figuurlijk een hoge vlucht genomen. De ambitie om kennis te vergaren is daarbij niet langer de enige drijfveer om de ruimte in te gaan.
    In haar artikel geeft Schuijer een overzicht van de ethische discussies rondom twee vraagstukken: wie heeft er recht op het gebruik van grondstoffen uit het heelal en waar heeft het heelal zelf recht op? In het eerste deel vergelijkt zij de internationale afspraken omtrent ruimte-exploitatie met de huidige ontwikkelingen op dit gebied. Vervolgens gaat zij in op de morele status van het heelal en zet zij de discussie over dit onderwerp af tegen het bestaande beleid voor planetaire bescherming. Tot slot presenteert zij een conclusie over het ontwikkelen van een ethiek voor de mens in het heelal.

Wanneer professionals binnen een organisatie te maken hebben met een moreel dilemma rijst de vraag hoe zij tot een goede afweging en keuze kunnen komen. Moreel beraad, opgevat als overleg tussen twee of meer betrokkenen over een morele kwestie, is erop gericht om op systematische wijze tot zo’n afweging te komen, en krijgt in steeds meer organisaties vorm. Een relatief nieuwe benadering hierbij, gericht op het omgaan met morele kwesties en dilemma’s, wordt aangeduid met de term ‘moresprudentie’. 
    Als het ons lukt om tot een vorm van morele jurisprudentie te komen, met dezelfde functie als in de rechtspraak, dan zou dat een wezenlijke stap vooruit betekenen bij het vormgeven van moreel beraad. Vandaar de bijdrage van Gerard Verstegen over “Moresprudentie als belofte”.

In “Waardengericht ontwerpen en toepassen van zorgtechnologie” gaan Martine Vonk & Steven Dorrestijn aan de hand van een concrete casus in op de technologische ontwikkelingen die gaande zijn binnen de zorg en die vragen om een waardengerichte benadering. Bij een zorginstelling in het Oosten van het land wilde het management een camerasysteem gaan gebruiken als hulp om incidenten zoals vallen te signaleren. Bijzonder aan dit camerasysteem is dat mensen nooit herkenbaar in beeld komen. Het systeem is doelbewust privacy-vriendelijk ontworpen.
    Toch wilden bewoners en familie uiteindelijk niet meewerken aan een pilot, met name vanwege ethische bezwaren en gebrek aan vertrouwen in het systeem. Deze casus staat centraal in dit artikel.De auteurs besteden daarbij expliciete aandacht aan de vraag welke waarden en waardenconflicten er in deze casus spelen.

In haar Minima Philosophica: “How could you not know?” onderzoekt Annemarie Kalis de “Grenzen van begrip in Broadchurch en Making a murderer”. Want inderdaad: hoe kan dat, dat we dat niet wisten? 

Er volgen nog een tweetal boekbesprekingen: Worden wij betere mensen? Essays over morele vooruitgang besproken door Patrick Delaere en Weg met de wetenschap. Pleidooi voor de universiteit door Floris van de Berg. De rubriek Signalementen besluit het formele deel van dit nummer van F&P.


-------------------- 


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 36 (2015) 4 - Moraliteit

 Inleiding

Ton Vink 

Dit nummer van F&P bevat om te beginnen bijdragen van Willem Lemmens, Jan Bransen, Jurriën Rood, Beatrijs Ritsema en Laura van Dolron. Zij waren de sprekers  op het in oktober jl. door de Vereniging van Ethici in Nederland georganiseerde symposium met als onderwerp een ethische toekomstverkenning over moderne manieren: “Hufters!? Ethiek van de etiquette”. In zijn introductie vertelt Patrick Delaere er meer over. 

In zijn bijdrage “McMahans militaire ethiek en de morele status van niet-paradigmatische strijders” gaat Carl Ceulemans na in welke mate de revisionistische militaire ethiek van de Amerikaanse ethicus Jeff McMahan er, in vergelijking met de traditionele militaire ethiek van de theorie van een rechtvaardige oorlog, beter in slaagt om de morele status van niet-paradigmatische strijders te vatten. Een vraagstuk dat in de moderne wereld zacht gezegd niet van belang ontbloot is. 

Menno Kamminga stelt in zijn “De Moraliteit van buitenlands beleid” andere eveneens prangende vragen, waaronder: “De vraag of moraal en ethiek van belang zijn voor buitenlands beleid…? Bestaan er morele verplichtingen over grenzen heen? Moet buitenlands beleid worden gebaseerd op morele principes of ‘goede bedoelingen’? Is het internationale domein er een van macht, noodzaak en eigenbelang waarin voor moraal niet of nauwelijks ruimte is? Wat is hier wijsheid…

 

In hun Minima Philosophica: “De zaak van Sinterklaas (2)” zorgen Aspha Bijnaar en Cees Maris voor een update in “de zaak-Sinterklaas”. De stoomboot komt er immers weer aan en het morele gewicht van ‘Zwarte’ Piet mag er toch ook zijn…

Er volgen nog een tweetal boekbesprekingen (‘MH17’ door Ton Vink; ‘Zinvol leven’ door Patrick Delaere), waarna enkele signalementen het formele deel van dit nummer van F&P afsluiten.

--------------------


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 36 (2015) 3 - Europa; Vrijheid van meningsuiting

Inleiding 

Ton Vink 

De bijdragen in dit nummer van F&P hebben betrekking op twee (overigens samenhangende) thema’s. ‘Europa’ en ‘vrijheid van meningsuiting’. Welk Europa willen wij? Dat van de Grieken? Dat van de Duitsers? Dat van de Engelsen? Dat van de kosmopolieten? De populisten? En willen we Europa eigenlijk? In dit nummer van F&P wordt de ‘vraag naar Europa’ gesteld in de vorm van een discussie (onder themaredactie van Sjaak Koenis, met dank aan Rutger Claassen) naar aanleiding van de recente publicatie Van welk Europa houden wij? van de hand van Dick Pels. Europa heeft het niet makkelijk. Er zijn bedreigingen van binnen – Grieken, Engelsen, tal van populistische partijen – en er zijn bedreigingen van buiten – Poetin, moslimterroristen, en zo voort. Pels bepleit een “nieuwe passie voor Europa” in de vorm van een “Europatriottisme: een derde weg tussen het enge maar concrete nationalisme en het ruimere maar voor veel mensen te abstracte kosmopolitisme.” Dat betekent onder meer dat we moeten komen tot een niet eenvoudige combinatie van de ‘zachte’ kant van Europa – het Europese individualisme, de Europese vrijzinnigheid en de Europese democratie, vermogen tot zelfrelativering en zelfkritiek, zachtmoedigheid en tolerantie, bereidheid tot luisteren en twijfelen – , met een even noodzakelijke ‘harde’ kant, want Europa moet wel “voldoende weerbaar zijn tegenover vijanden die niet worden geplaagd door onzekerheid en die veel minder scrupules kennen?” Anders gezegd: “De democratie moet zelfverzekerd en weerbaar zijn.” 

Als eerste reageert Vincent Lagendijk in “Een Europa waar je EU tegen zegt?”. Hij concentreert zich op twee punten in Pels’ essay. Het eerste betreft “het ogenschijnlijke samenvallen van de ‘Europese Unie’ met ‘Europa’ in het essay”; het tweede punt is het “te selectieve, en daardoor te positieve, beeld dat Pels neerzet van de Europese ziel of identiteit.” Want, inderdaad, over welk Europa gaat het: “Is het Europa, de mooie mythische Fenicische prinses… Of is het de technocratische institutie, de Europese Unie?”. En daarmee verbonden: wie, of misschien wat, zijn de ‘Europeanen’ dan? Overigens doet dat, aldus Lagendijk, niets af aan Pels “fraaie liefdesverklaring” aan Europa, die is “leesbaar en inspirerend”. 

Hylke Dijkstra neemt in “De Logica van de Verscheidenheid. Waarom wij niet allemaal van Europa houden” de rol op zich van ‘advocaat van de duivel’. Waar Dick Pels eenheid ziet, ziet Dijkstra vooral verscheidenheid:  “Het is een verscheidenheid die Europa tot nu toe heeft overleefd. Het is ook een verscheidenheid die Europa in de komende jaren en decennia in verdere problemen gaat brengen. Het is niet een verscheidenheid tussen de lidstaten, maar vooral een verscheidenheid binnen de lidstaten en tussen de verschillende regio's en bevolkingsgroepen. Het is een verscheidenheid waarvoor Europa niet is ingericht en waar Europa weinig mee kan.” Een actuele advocaat van een actuele duivel. 

In “Grensbewoners, of Van welk Europa houden wij?” is er sprake van gemengde gevoelen bij Sjaak Koenis: “Tussen Pels’ droom van een Europese beschaving en de huidige EU gaapt met andere woorden een kloof die alleen met veel (meer) macht en geweld gedicht kan worden.” Europa kan zich alleen handhaven in de concurrentiestrijd met de Verenigde Staten en de opkomende industriële grootmachten zoals China en India wanneer het erin slaagt de economie zo concurrerend mogelijk te maken. En dat gaat niet vanzelf. Het brengt machtsconflicten met zich mee die, afhankelijk van de uitkomst, kunnen resulteren in “meerdere Europa’s”. Daarbij hecht Koenis weinig geloof aan “een kosmopolitisch Europa dat ‘voorbij de natie’ zal geraken”. Anders gezegd: “Meer EU leidt niet tot minder natiestaten, maar tot meer Europese politiek binnen de afzonderlijke natiestaten.” 

Georgi Verbeeck stelt de vraag naar “Meer of minder herdenken voor Europa?”. Pels plaatst zijn euro-optimisme tegenover een in zijn ogen modieus europessimisme dat we ons eigenlijk alleen maar (laten) aanpraten. Hoe dat euro-optimisme te versterken? Hoe ons gevoel voor Europa aanwakkeren? Wellicht “door dat in rituelen en symbolen uit te drukken, zoals in feestdagen, herdenkingsdagen, vlaggen, nationale volksliederen, maar ook om het even welk ander publiek evenement.” Pels, aldus Verbeeck, wil onze Europese identiteit stevig verankeren in de manier waarop we naar het verleden kijken. Maar is onze historische erfenis niet te grillig, te complex en te tegenstrijdig  om er ‘lessen uit te trekken’, laat staan om er uit af te leiden wie we zijn of wie we willen zijn? 

Tenslotte reageert Pels op zijn critici: “…het ongrijpbare ding ‘Europa’ geeft daar ook alle aanleiding toe: als belangrijkste beschavingsideaal van onze tijd is en blijft het ‘essentieel omstreden en betwistbaar’.” 

Aansluitend komt op verschillende manieren het recht op vrijheid van meningsuiting ter sprake. Eerst verdedigt Ton Vink in zijn Minima Philosophica de stelling dat wij allemaal Godgegeven zijn, of ons tenminste als zodanig zouden moeten beschouwen. Als stap op weg naar een Europa waar we van houden. 

Daarna bespreekt Rob van Gerwen in “Spoort de wet wel helemaal (met de esthetica)? De zaak Van Giel vs. Tuymans” een geruchtmakende plagiaat-kwestie. En om met de deur in huis te vallen: “Rechters die over esthetische zaken moeten oordelen – dat is een doodlopende weg.” En dat is niet omdat er in de zaak Van Giel vs. Tuymans sprake is van een gerechtelijke dwaling; de letter van de wet wordt gevolgd. Maar Van Gerwen betoogt eerder dat er iets verkeerd is met die wet. Waarom? Omdat de wet handelt over esthetische zaken waar ze weinig van begrijpt: “Zo neemt ze aan dat creativiteit zowel meetbaar als privé-eigendom is. Quod non.” Na een interessant betoog concludeert Van Gerwen: “Dat deze zaken niet objectief verhelderd kunnen worden, maar alleen subjectief, komt omdat deze praktijken intern gedefinieerd zijn (en dus circulair), en men eraan moet participeren om er iets zinvols over te kunnen zeggen – iets wat de wet niet van de rechter lijkt te vereisen. En precies daarom vormen deze wetten een doodlopende weg.” 

Floris Mansvelt Beck stelt vervolgens in “Vrijheid van meningsuiting, tolerantie en het PEN-Award-protest” de vraag of de redactie van Charlie Hebdo een prijs verdient wegens het moedig verdedigen van de vrijheid van meningsuiting. Hoe moet de vrije meningsuiting van Charlie Hebdo eigenlijk gewaardeerd worden? “Is dit een voorbeeld van moed, van noodzaak, of juist van intolerantie? Is deze te prijzen of af te wijzen? Dat deze vragen gesteld worden om te bepalen of een prijs voor die vrije meningsuiting op zijn plaats is, en niet bij wijze van duiding van de aanslag zelf, creëert bovendien de ruimte voor reflectie en analyse die bij een directere benadering afwezig is. In dit essay zal ik dan ook dankbaar gebruik maken van de ingang die het protest tegen het toekennen van de PEN-prijs aan Charlie Hebdo biedt om na te gaan wat de rol en de waarde is van de vrijheid van meningsuiting in een liberale samenleving.” De vraag naar die rol moet steeds opnieuw gesteld worden, want wat “redelijk is en wat onredelijk, dat bepaalt in een overwegend levensbeschouwelijk liberale samenleving de levensbeschouwelijk liberale meerderheid.” En ook dat is niet vrij van risico’s. 

Er volgen een drietal boekbesprekingen (‘Piketty’ door Ingrid Robeyns; ‘Van de Gronden’ door Floris van den Berg, ‘Valkenberg’ door Kees Hellingman) waarna enkele signalementen het formele deel van dit nummer van F&P afsluiten.


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 36 (2015) 2 - Democratie, rechtsstaat & moderniteit

Inleiding 

Ton Vink 

Dit tweede nummer van F&P bij Uitgeverij Garant wordt geopend  door René Gabriëls met zijn bijdrage “Expertocratie en democratie. Kanttekeningen bij de wetenschapsfilosofie van Philip Kitcher”. In zijn artikel analyseert Gabriëls het spanningsveld tussen ‘expertocratie’ en democratie aan de hand van het werk van Kitcher, omdat deze expliciet ingaat op een uitdaging die al zo oud is als Plato: Stel dat de meerderheid ongelijk heeft, is het dan niet beter om een expertocratie te hebben dan een democratie? Kitcher komt met een intrigerend voorstel om de noodzaak van wetenschappelijke expertise te verenigen met democratische principes. Gabriëls concludeert onder meer: “Civiele en politieke mensenrechten die fundamenteel zijn als het gaat om de gelijke vrijheid van mensen worden met voeten getreden wanneer een democratie ingeruild zou worden voor een expertocratie”. 

De derde bijdrage, “Vereisen mensenrechten een ‘westerse’ rechtsstaat?” van Liesbeth Feikema, sluit hier bij aan en onderzoekt de weerbaarheid van “open, democratische en pluriforme westerse samenlevingen.” Het lijkt alsof het voor de nationale rechtsstaat, die wij als karakteristiek voor westerse samenlevingen beschouwen, een kwestie is van buigen of barsten. Willen we niet onder de voet worden gelopen door grote mogendheden met andere opvattingen over de inrichting van de samenleving, dan moeten we ons aanpassen. Feikema bepleit onder meer dat we op een andere manier kijken naar de verhouding tussen de beschermwaardigheid van mensenrechten enerzijds en het type instituties waarmee we dit willen bewerkstelligen, anderzijds. 

Daarvoor gaat Jozef Keulartz in “Nietzsche’s postindustriële landschap” in op de infrastructurele opgave van de sanering van verlaten en vervallen industrieterreinen in Europa en de VS. Deze erfenis van het industriële tijdperk zadelt landschapplanners op met een veelheid van problemen. Wat te doen: moeten zij streven naar het slopen, herstellen of transformeren van voormalige fabrieksterreinen, havengebieden en militaire oefenterreinen? Daarbij luidt een van de voornaamste vragen: welke rol moet de geschiedenis spelen in de regeneratie en revitalisering van postindustriële landschappen? 

Aansluitend richt Eva Coopmans haar aandacht op een ander probleem waarmee juist de moderniteit ons opzadelt: “Burn-out als sociale pathologie van onze tijd. De keerzijde van de prestatiemaatschappij en haar eis van onbegrensd kunnen.” Zie: De ideale mens rijdt voor u op de snelweg of hij staat naast u in de lift. Hij of zij ziet er goed uit, voorzien van koffiebeker, laptoptas en smartphone. Hij is druk, druk, druk en moet racen van professioneel succes naar bruisend sociaal leven. Hij twittert en facebookt en is misschien alleen tussen zes en acht offline: kindertijd. En hij geniet zich suf. Hij is reuze flexibel, efficiënt, dynamisch en snel. Maar ook behoorlijk neurotisch, want hij gaat over zijn eigen of maatschappelijke grenzen. Resultaat: hij/zij wordt geveld door een burn-out, en dat is niet meer uitsluitend het voorrecht van ouderen want ook steeds meer twintigers vallen in de prijzen. Wat ging en gaat er mis? 

Alsof de moderniteit al niet voor voldoende problemen zorgt zijn daar de Minima Philosophica van Jozef Keulartz: “Help - het ecomodernisme rukt op!” Een indrukwekkende maar ook wel enigszins zorgwekkende comeback van het vooruitgangsdenken.

En over vooruitgang gesproken: Het ingaan van de eenentwintigste eeuw werd onder meer gemarkeerd door het verschijnen van het eerste deel van de trilogie van Jonathan Israel over de Verlichting: Radical Enlightenment (2001). Later volgden deel 2 Enlightenment Contested (2006) en deel 3 Democratic Enlightenment (2011). De ruwweg drieduizend pagina’s vormen een ware schatkamer. In Nederland waagde uitgeverij Van Wijnen (Franeker) zich aan het uitbrengen van een Nederlandse vertaling, waarvan nu het derde en laatste deel verschijnt. In zijn “Radicale Verlichting: David Hume en de droom van Jonathan Israel” laat Ton Vink ten slotte zien hoe Israel zich verslikt in de Schotse radicale denker David Hume.

Daarna volgt nog een boekbespreking (Love. A Very Short Introduction van Ronald de Sousa) van de hand van Patrick Delaere. Enkele signalementen besluiten het formele deel van dit nummer van F&P.


EERDER VERSCHENEN, MAART 2015:

FILOSOFIE & PRAKTIJK, 36 (2015) 1 - Jihad/Jihadisme

Inleiding 

Ton Vink 

Afgelopen januari kocht ik bij een antiquariaat een nette uitgave van een lezing van historicus Johan Huizinga. Lezing en uitgave stammen uit 1935. De uitgave draagt de titel In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd en Huizinga’s eerste regels, hoofdstuk 1, pagina 1, luiden als volgt: “Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europeesche menschheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.” Januari 2015 was een memorabele maand waarin je een zin als “Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.” toch net iets anders las dan nog kort daarvoor. Daar staat dan weer, ter relativering van onze huidige gemoedstoestand, tegenover dat Huizinga in 1935 één wereldoorlog achter de rug had, en een tweede eraan zag komen. 

Nog voor de aanslagen in Parijs en de latere commotie in het Belgische Verviers en elders, had de F&P-redactie het plan opgevat aandacht te besteden aan ‘jihad’ en ‘jihadisme’. Dat voornemen is uiteraard alleen maar actueler geworden en resulteert in een drietal bijdragen in dit nummer rond dit bewuste thema. De bijdragen werden afgerond vóór eind januari; eventuele latere ontwikkelingen moet de lezer dus zelf verdisconteren. 

De openingsbijdrage “Islamitische Staat (IS), van theorie naar praktijk” is van de hand van Arabist Jan Jaap de Ruiter. In zijn artikel onderzoekt hij hoe Islamitische Staat functioneert, en hoe ze haar beleid, bestuur en politiek legitimeert op basis van haar interpretatie van de islam. Daarnaast gaat hij, mede aan de hand van een classificatie van ‘milenniaristen’, in op de vraag naar het toekomstscenario van IS en van de door de fanatieke IS-aanhangers gestichte heilsstaat. 

Tim Wolff richt zich in “De wortels van westers jihadisme” op de vraag wat westerse jihadisten in zijn algemeenheid en Syriëgangers in het bijzonder beweegt. Niet elke jihadist is hetzelfde en er zijn ongetwijfeld meerdere verklaringen, maar “het is wellicht wel mogelijk om zekere patronen te signaleren”. Voor het onderkennen van die patronen onderscheidt Wolff een drietal opvattingen of modellen ter verklaring die gezamenlijk – wellicht – een antwoord op de gestelde vraag kunnen leveren. De drie opvattingen die Wolff onderscheidt en in hun samenhang bespreekt zijn achtereenvolgens de marginaliseringsopvatting, de religie-opvatting en – nieuw – de verzetsopvatting. Dat alles overigens voorzien van de nodige kanttekeningen. 

Patrick Loobuyck richt zich daarna in “Radicalisering bestrijden op een liberaal democratische wijze. Een moeilijke evenwichtsoefening” op de maatschappelijke en politieke discussies over hoe we moeten omgaan met radicalisering en met de betrokken mensen die vertrekken, achterblijven of terugkeren. Daarbij bevraagt hij ook de legitimiteit en de effectiviteit van de maatregelen zoals die binnen een democratische rechtsstaat genomen kunnen worden. Zijn bijdrage start met een korte reflectie over de vraag of het beleid ten aanzien van de Syrië-strijders de effectiviteitstoets wel kan doorstaan, “maar gaat voornamelijk over de krijtlijnen die de ruimte voor legitiem beleid mogelijk maken en afbakenen.” 

Een heel andere vorm van “religieus geweld” wordt onderzocht door Frans Jacobs en Florian Jacobs in hun “Minima Philosophica: De paus en het scheermes van Ockam”. De Romeinse Pontifex Maximus wast zijn kardinalen de oren. Wat gebeurt daar? 

Daarna volgen een viertal boekbesprekingen van de hand van Annemarie Kalis, Ton Vink, Patrick Delaere en Jobien Monster. De laatste bespreking betreft het postuum gepubliceerde De Wet als Kunstwerk van Willem Witteveen, omgekomen bij de ramp met de MH17. En als klein eerbetoon aan Witteveen herplaatst F&P diens eerder (2011) in F&P verschenen artikel “De kabinetsformatie als machtsspel en overgangsritueel”. Gegeven Witteveens aandacht voor de bijzondere rol van de Eerste Kamer is zijn bijdrage ook op dit moment actueel. 


Laatste nummer Filosofie & Praktijk bij Uitgeverij DAMON

Filosofie & Praktijk Winter 2014 is het laatste nummer dat door Uitgeverij DAMON zal worden verzorgd.
Per 1 januari 2015 neemt uitgeverij Garant de productie en administratie van het tijdschrift over.


Filosofie & Praktijk jrg. 35, nr. 4, winter 2014
Eindredactie: Ton Vink

In de eerste bijdrage aan dit nummer, “Het multiculturalismedebat en de terugkeer van de politiek” van Ben Van de Wall, vertrekt de auteur vanuit een uitleg van Carl Schmitts opvatting van het politieke en het liberalisme om ons langs die weg de concepten te verschaffen waarmee de rol van politiek in het multiculturalismedebat verduidelijkt zal worden.
Vervolgens gaat Rutger Claassen in zijn “Concurreren of samenwerken? Over bedrijfsethiek en de grenzen van het mededingingsrecht” in op de botsing tussen twee strijdende morele logica’s, die van concurreren of samenwerken.
In “Wikken en wegen: culturele en religieuze verschillen binnen de jeugdzorg” vertrekt Mariëtte van den Hoven vanuit actuele kwesties waarbij Jeugdzorg werd ingeschakeld en waarbij de religieuze of culturele opvattingen van ouders een belangrijke rol spelen. Hoe ziet dit eruit vanuit een jeugdzorgperspectief?
De Minima Philosophica van Patrick Delaere gaan in op “Levens na de dood”. Woody Allen liet weten liever in zijn eigen appartement te willen voortleven, dan “in de harten van zijn landgenoten”. Maar daar redden we het niet mee.
Jeroen Bartels sluit daarbij aan met zijn ‘mijmeringen’ in “Het ‘numineuze’. Over fascinerende en tegelijk huiveringwekkende ervaringen.”
Het VFP-katern. Tenslotte is er het katern van de Vereniging voor Filosofische Praktijk (VFP), een podium om met de eigen leden en de buitenwereld te communiceren.

Bestel nu »

Isbn 978 94 6036 188 3 | € 12,50 




EERDER VERSCHENEN:

Filosofie & Praktijk jrg. 35, nr. 3, najaar 2014

Eindredactie Ton Vink

Filosofie & Praktijk jrg. 35, nr. 3, najaar 2014


 De Zwarte-Piet-Discussie beheerst het debat in Nederland. Nu dan ook in de openingsbijdrage van “Filosofie & Praktijk” van de hand van Aspha Bijnaar en Cees Maris: "Zwart als roet. Zwarte Piet en de liberale rechtsstaat." Zwarte Piet! Voor menigeen zal gelden: “Zo onbevangen als we toen van zijn rol genoten, zo beladen is die nu: Zwarte Piet is racisme!”.
Niet minder serieus is de volgende bijdrage van Maartje Schermer waarin zij de vraag stelt: "Medicalisering van crimineel gedrag, zegen of vloek?"
De gevestigde religies mogen dan op hun retour zijn, dat geldt zeker niet voor diverse daaraan gerelateerde gebruiken. Een van die gebruiken is voorwerp van discussie in de derde bijdrage “Jongensbesnijdenis tussen religie, recht en geschiedenis” van de hand van Matthea Westerduin, Yolande Jansen en Karin Neutel.
In zijn Minima Philosophica “Ressentiment als beschuldiging” onderzoekt Sjaak Koenis het gebruik van ressentiment als beschuldiging en verwijt. Wat is eigenlijk de invloed van deze stijlfiguur op het publieke debat?
De volgende bijdrage is van de hand van Ton Vink: "De weg naar zelfeuthanasie. Wellicht niet legaal, evenmin illegaal, maar wel legitiem?"
Tenslotte biedt het VFP-katern, zoals gebruikelijk, de Vereniging voor Filosofische Praktijk (VFP) een podium om met de eigen leden en de buitenwereld te communiceren, met bijdragen van Leon de Haas, Dries Boele en Annemarie Soeteman.

Bestel nu » ISBN 9789460361876 €12,50. info@damon.nl.
 


 



EERDER VERSCHENEN:


Filosofie & Praktijk jrg. 35, nr. 2, zomer 2014

Eindredactie: Ton Vink
 

In zijn openingsbijdrage vertrekt Petran Kockelkoren vanuit een lang weekeinde dat hij met drie collega-filosofen op uitnodiging doorbracht in vakantieboerderij Nieuw Reemst (Ede, Gelderland), eigendom van Natuurmonumenten en gelegen midden in natuurgebied Het Planken Wambuis, grenzend aan het Nationale Park De Hoge Veluwe. Kockelkoren houdt de ‘beleefbaarheid’ van het landschap filosofisch tegen het licht, via vragen als: Wat zoeken mensen in de natuur? Hoe groot is de kans  ze dat ook kunnen vinden? Welke verwachtingen mogen we wekken? Overeenkomstig wat voor visie op natuur richten we het gebied in? En daar komt dan ook de vraag bij hoe een landschap, dat vorm kreeg in het historische vraag- en antwoordspel van cultuur en natuur en dat vervolgens met anachronistisch kunst- en vliegwerk moet worden gecontinueerd, ‘leesbaar’ en daardoor ook weer opnieuw ‘beleefbaar’ en ‘verstaanbaar’kan worden gemaakt voor bezoekers uit een later tijdperk.

 

Het vertrekpunt van Mariëtte van den Hoven in haar bijdrage “Goede wetenschap: terug naar de ivoren toren of in het glazen huis?” ligt weer elders, namelijk in enkele opvallende affaires van wetenschappelijke fraude die het grote publiek hebben bereikt. Laten we, aldus Van de Hoven, de vraag of wetenschap anders georganiseerd moet worden even terzijde schuiven en ons vooral richten op de kwaliteit van onderzoekers: “Ik denk dat wetenschappers elkaar een spiegel moeten leren voorhouden, en wat zij in die spiegel zien meer met de samenleving moeten leren delen. Wat moeten we zien in die spiegel? Welke vragen zijn vanuit de ethiek nuttig te stellen? Daar wil ik deze bijdrage aan wijden.” Tot haar conclusie hoort onder meer “dat wie niet openlijk durft te debatteren over de waarden achter onderzoeksprocessen, wie niet werkelijk in de spiegel durft te kijken, noch in de ivoren toren, noch in het glazen huis gedoogd zal mogen worden.”  

 

Op het Tahrirplein in Caïro klonk het ruim drie jaar geleden luid “Het volk eist de val van het regime”. En een vergelijkbare kreet klonk op veel andere plaatsen in de Arabische wereld. De kreet maakt krachtig duidelijk wat er op het spel stond: politieke legitimiteit, het recht om te besturen. In zijn bijdrage “Mubarak, Morsi, en de strijd om politieke legitimiteit” gaat Thomas Fossen hier nader op in. Waarover hebben we het eigenlijk als we het hebben over de ‘legitimiteit’ van een overheid? Fossens bijdrage is een poging om die legitimiteitsvraag te verhelderen. Hij doet dat aan de hand van een analyse van twee kritieke en aansprekende momenten in de Egyptische opstanden, namelijk de gebeurtenissen die uitmondden in het afzetten van Mubarak in 2011 en van Morsi in 2013. Fossen concludeert onder meer dat we in de strijd om legitimiteit in Egypte twee aspecten van de politieke werkelijkheid kunnen zien waarop een oordeel over legitimiteit betrokken is: de identiteit van degene die oordeelt, en de voorstelling van de macht die beoordeeld wordt. Het probleem is dan hoe grip te krijgen op deze (en wellicht andere) aspecten van een politieke situatie.

 

In zijn Minima Philosophica “Kill the Boer” keert Cees Maris voor de derde keer terug naar de Zuid-Afrikaanse University of the Western Cape, in een land waar de rust allesbehalve gegarandeerd is.

 

De volgende bijdrage is van Bart van der Sloot: “De NSA-affaire en de grenzen van de macht. Naar een wederkerige begrip van privacy.” Sinds de onthullingen van Edward Snowden is duidelijk geworden hoe wijdverbreid de activiteiten van de NSA zijn. Daarbij staat niet langer slechts de nationale veiligheid, maar steeds meer het nationale belang centraal. Ook onze eigen minister Plasterk bracht zichzelf erdoor in  moeilijkheden. Wat zijn nu eigenlijk de eventuele gevolgen voor de privacy van burgers? En hoe wordt er hier naar het begrip ‘privacy’ gekeken? Voor Van der Sloot is het de vraag of de nadruk op het individu en zijn persoonlijke belang nog wel de juiste is. Immers, nieuwe technologische ontwikkelingen maken een verschuiving mogelijk waardoor er op grote schaal gegevens worden verzameld, opgeslagen en verwerkt, terwijl deze gegevens niet noodzakelijkerwijs op het privéleven van een persoon betrekking hebben of ook privacygevoelig zijn.

 

Er volgen aansluitend een reviewartikel en een tweetal boekbesprekingen. Petran Kockelkoren bespreekt de nieuwe publicaties van Jos de Mul, Peter-Paul Verbeek, Coen Simon (red.), Arjen Mulder en Tijs Goldschmidt. Dan volgt een bespreking door Ton Vink van Ethiek en gezondheidsrecht door Govert den Hartogh & Paul Cliteur, en een bespreking van de dissertatie van Christian Van der Veeke door Mark van Ostaijen & Shivant Jhagroe. René Munnik repliceert vervolgens nog op Petran Kockelkoren, waarna enkele signalementen dit formele deel van F&P besluiten.

 

Het VFP-katern. Tenslotte biedt het VFP-katern, zoals gebruikelijk, de Vereniging voor Filosofische Praktijk (VFP) een podium om met de eigen leden en de buitenwereld te communiceren, met bijdragen van Frank Vandendries, Veerle Pasmans en Franziska Lindinger. Het VFP-katern heeft daarbij een eigen onafhankelijke redactie.