FILOSOFIE & PRAKTIJK, 40 (2019) 4; thema:

Euthanasie of humaan sterven in Nederland


November 2019 kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek in de reeks Statistische Trends met de online-publicatie “Opvattingen over euthanasie” (www.cbs.nl). Het gaat daarbij om de resultaten van een onderzoek, uitgevoerd in de periode maart – juni 2018 door middel van in te vullen vragenlijsten.

        Dit soort vragenlijsten zijn natuurlijk notoir kwetsbaar door de keuze voor een bepaalde vraag én de formulering daarvan. Het beantwoorden ervan is bovendien ook tamelijk vrijblijvend. Maar toch, de algemene uitkomst verrast niet echt en wijst op een hoge mate van acceptatie van de mogelijkheid van “euthanasie onder bepaalde omstandigheden”.

        Bij die ‘omstandigheden’ ontstaan overigens ook meteen problemen. De auteurs lichten bijvoorbeeld toe: “Artsen zijn echter niet verplicht om euthanasie uit te voeren, ook niet als de patiënt een wilsverklaring heeft opgesteld of als het verzoek aan de zorgvuldigheidseisen voldoet.” (p.3, mijn cursivering, vgl. ook p. 4 en 6.) Welke zorgvuldigheidseisen zouden de auteurs dan bedoelen? Toch niet de zorgvuldigheidseisen die door de wetgever aan de arts worden gesteld (en niet aan het verzoek of aan de patiënt)? Gegeven de belangen van ‘leven of dood’ lijkt me zorgvuldigheid een vereiste. 

Maar dat laat onverlet dat er in het onderzoek kwesties aan bod komen waarover de auteurs van dit themanummer van F&P meer uitgebreid hun licht laten schijnen.

        Het CBS-rapport opent met “De meerderheid van de volwassen bevolking in Nederland (87 procent) vindt dat euthanasie onder bepaalde omstandigheden mogelijk moet zijn”. Dat duidt op een duidelijke aanvaarding en normalisering. In haar bijdrage “’Normaal’ doodgaan” gaat Heleen Weyers in op de “diepgaande” verandering in de twintigste eeuw van de “wijze waarop mensen in Nederland doodgaan”, waarbij “het weigeren van een behandeling en het verzoeken om euthanasie” ertoe lijken te leiden “dat zowel medicalisering van het versneld overlijden als zeggenschap van patiënten dienaangaande genormaliseerd is.” Klopt die indruk van ‘normalisering’? En wat verstaan we onder ‘normalisering’?       

De secularisatie is onmiskenbaar, maar het CBS concludeert eveneens: “Onder degenen die wel een religieuze of levensbeschouwelijke stroming aanhangen ligt het aandeel dat open staat voor euthanasie lager, al zijn er wel duidelijke verschillen tussen aanhangers van verschillende religies.” (p.7). In zijn bijdrage “Iedere protestant is toch tegen euthanasie?” wil Theo Boer echter de gedachte problematiseren “dat protestanten in Nederland altijd tegen euthanasie zijn geweest, en dat de euthanasiepraktijk een zwaar bevochten overwinning is op godsdienstige weerstand.” Sterker, zijn stelling luidt “dat Nederland zonder de protestanten misschien wel nooit een euthanasiepraktijk zou hebben gehad.” 

“Euthanasie”, aldus het CBS (p. 3) “is met de huidige wetgeving niet mogelijk voor mensen die levensmoe zijn of hun leven als voltooid ervaren maar daarnaast geen medische aandoening hebben.” Is dit het terrein van en voor de ‘pil van Drion’? In zijn bijdrage “De pil van Drion: een voetafdruk in de beschaving” gaat Hans van Dam in op “de mogelijkheid voor oude mensen om zelf te beschikken over middelen waarmee hij of zij op een zelfgekozen moment op een humane manier het eigen sterven ter hand zou kunnen nemen.” Voor Drion, aldus Van Dam, is er geen rechtvaardiging oude mensen de vrijwillige keuze voor “humane mogelijkheden van sterven te onthouden” en hen aldus mogelijk te veroordelen tot  een inhumaan sterven. 

Hoe ver gaat onze ‘vrijwilligheid’ eigenlijk? Je mag je, als de arts aan de zorgvuldigheidseisen kan voldoen, vrijwillig laten doden. Is dat niet zoiets als je vrijwillig in slavernij begeven? Maar mag het een wel en het ander niet? In “Leve de goede dood. Over de analogie van vrijwillige euthanasie en vrijwillige slavernij” gaat Cees Maris na of er hier inderdaad sprake is van “een analogie met vrijwillige slavernij”. En als het een wel legitiem is, en het ander niet, kortom, “als er goede redenen zijn om vrijwillige slavernij te verbieden, wat zijn dan goede redenen om de analogie met vrijwillige euthanasie te betwijfelen?” Het verschil in ‘vrijwilligheid’ is hier echter fundamenteel, aldus Maris, en hij besluit dan ook met een welgemeend “leve de goede dood”.

 Zou het in Nederland dan ooit ‘chic’ worden om je van het leven te beroven? In zijn bijdrage “David Hume, Immanuel Kant, de waarde van het menselijk leven en het debat over (hulp bij) zelfdoding, euthanasie en wilsverklaring” kijkt Ton Vink allereerst naar de bijdrage van David Hume aan deze discussie, onder meer vanwege diens geruchtmakende essay Of Suicide. Hume staat centraal, maar ook de visie van Immanuel Kant kan in het verlengde daarvan niet ontbreken. Met deze filosofen “zitten we meteen in de aanloop naar de introductie in ons Wetboek van Strafrecht van de strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding”. En dat voert ons ook naar de Nederlandse euthanasiewetgeving en –praktijk, inclusief het recente unicum van de eerste vervolging van een arts na het honoreren van een euthanasieverzoek bij gevorderde dementie. Twijfel blijkt hier op z’n plaats, ook al laat het CBS weten (p. 11) dat zo’n 80% van de bevolking vindt “dat euthanasie mogelijk moet zijn voor mensen met vergevorderde dementie, als zij daarom hebben gevraagd toen zij nog bij vol bewustzijn waren.” 

In zijn “Minima Philosophica: mag de dokter doden?” gaat Patrick Delaere de confrontatie aan met “de poging om een kwaliteitscriterium vast te stellen op grond waarvan kan worden overgegaan tot het doden van een medemens”. Hij doet dat uitgaande van de argumenten van Alberto Giubilini en Francesca Minerva op grond waarvan ook postnatale abortus toelaatbaar zou moeten zijn in alle gevallen waarin prenatale abortus dat is, inclusief gevallen waarin de boreling kerngezond is. Is er, overigens zowel wat mens als dier betreft, geen aanleiding tot ‘gepast wantrouwen’ als het gaat om het legaliseren, bureaucratiseren en systematiseren van de dood? 

Tot slot van dit nummer van F&P bespreekt Vincent Seminck naar aanleiding van de nieuwe Nederlandstalige editie vervolgens Het begrip politiek van Carl Schmitt en Casper Verstegen For a Left Populism van Chantal Mouffe, waarna nog de rubriek Signalementen volgt.


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 40 (2019) 3; thema:

ONDERWIJS, gevormd of vervormd?

Twee weken voor het verschijnen van zijn boek Gevormd of vervormd? Een pleidooi voor ander onderwijs stuurde de Radboud Universiteit een, aldus auteur Jan Bransen, ‘stoer’ persbericht de wereld in getiteld “Het huidige onderwijssysteem is echt failliet”. Dat heeft voor reuring gezorgd, voor veel aandacht en het zadelde de auteur op met een uitspraak die hij in zijn boek niet doet, maar die hij sindsdien wel gebruikt als hij over zijn boek praat. “Ik zie de uitspraak dan niet als een feitelijke constatering, maar als een uiting van de overtuiging waarmee iemand naar de rechter stapt om een faillissement aan te vragen. Je kunt het eerste deel van mijn boek vervolgens lezen als de onderbouwing van de faillissementsaanvraag en het tweede deel als het hoopvolle perspectief van de curator die volop mogelijkheid ziet voor een goede doorstart.”

In de huidige synopsis, op uitnodiging van F&P, besteedt Bransen aan beide delen gelijkelijk aandacht. Daarbij gaat het om twee fundamentele vormen van filosofische reflectie op onze begrippen: ten eerste het inzetten van conceptuele onderscheidingen in kritische argumenten en ten tweede het ontplooien van begripsinhouden in uitnodigende speculaties. In dat andere onderwijs “is leren een kwestie van pionieren, van samen betekenis creëren in de immense onbestemde ruimte van het internet, die de wereld zoveel groter maar ook zoveel nabijer maakt.”

 

Natuurlijk vraagt dat om commentaar, en dat wordt geleverd in een viertal korte reacties: “Beroepsidentiteit en het uitblijven van eenheid”, door Hartger Wassink; “De tempering van geëngageerde woede”, door Tina Rahimy; “De waaromvraag, of is het huidige onderwijssysteem echt failliet?” door Guus Smeets; en “De filosoof en de psycholoog”, door Rob Martens. Jan Bransen reageert toot slot met “Een stem voor de ongehoorden. Reactie op de vier commentaren”.

 

In zijn Minima Philosphica “De invloed van sociale media op de strijd om de natuur” bespreekt Jozef Keulartz de ‘subversieve rol’ die de nieuwe internetcultuur speelt bij de conflicten rond natuurbeheer en natuurbeleid. Hij illustreert dit aan de hand van twee casussen: de recente lotgevallen van onze eigen Nederlandse Oostvaardersplassen, en het ‘buitengewoon ambitieuze’ plan van Nieuw-Zeeland om het land voor 2050 te verlossen van de meest invasieve roofdieren die een bedreiging vormen voor inheemse soorten.

 

Tegen de achtergrond van de onzekerheid over de langetermijneffecten van grootschalige migratie onderzoekt François Levrau in zijn bijdrage “Als er minderheidsrechten zijn, dan ook meerderheidsrechten? Over grondwettelijk nationalisme en soft paternalisme” hoe de meerderheidsgroep zich identitair kan beschermen en wat er dan precies kan en mag worden geconserveerd. Over welke rechten beschikt zo’n meerderheid? Levrau betoogt dat een normatieve cultuur beschermd kan worden in de gestalte van constitutioneel-nationalisme (hard duties) en dat alleen via soft paternalisme een zekere vorm van antropologische cultuur en samenhorigheid in stand kan worden gehouden (indirect duties). Hoewel het verleidelijk is de nationale cultuur met het constitutioneel-nationalisme te vereenzelvigen, wijst de auteur op het feit dat elke (westerse) samenleving ‘anti-verlichtingstendensen’ kent en in die hoedanigheid altijd met de uitdaging geconfronteerd wordt het ‘verlichte nationalisme’ te verdedigen tegen illiberale en intolerante disrupties. Die verdediging, zo stelt hij in dit artikel, gaat (zowel voor leden van de meerderheids- en minderheidsgroep) samen met een aantal harde en zachte plichten. “Deze plichten bieden tevens een antwoord op de vraag hoe de samenleving cohesiever wordt: enerzijds worden mensen strikt gebonden aan een zelfde liberale constitutie, maar anderzijds (en al even belangrijk) worden mensen er met zachte hand op gewezen dat ze een sociale ruimte met elkaar delen en dat ze daarom best hun vrijheden op het regulatieve ideaal van ‘zorg’ afstemmen.”

 

En dan is er vervolgens die enigszins verwaarloosde verlichtingsfilosoof, Denis Diderot, waarover Patrick Delaere in zijn “Diderot, filosoof van groot gevoel en groot verstand” zijn licht laat schijnen. Zijn bijdrage vormt een tweeluik: “In een eerste luik bespreek ik zijn leven en werk. In het tweede luik leg ik uit wat dit werk onverkort actueel maakt.” Delaere toont zijn respect en waardering “voor deze filosoof van groot gevoel en groot verstand, in het bijzonder voor de verwevenheid in zijn persoon van radicaal sceptisch denken met zijn neiging om de hele wereld in een omhelzing te affirmeren.”

 

Dit nummer van F&P eindigt met twee boekbesprekingen. Gijs van Oenen gaat in een reviewartikel in op de dissertatie van Merijn Oudenampsen, The conservative embrace of progressive values. On the intellectual origins of the swing to the right in Dutch politics. En Bart Collard bespreekt Groen liberalisme. Een urgent manifest van Floris van den Berg.



FILOSOFIE & PRAKTIJK, 40 (2019) 2, thema:

Klimaatschuld

Volgens velen staat wel vast dat het Westen op grond van de  klimaatverandering ‘schuld’ heeft bij de ontwikkelingslanden, dat wil zeggen, men stelt dat het geïndustrialiseerde Westen meer dan zijn ‘eerlijke deel’ van de absorptiecapaciteit van de aarde heeft gebruikt en dat het zijn schuld die langs die weg is ontstaan, jegens de arme landen moet inlossen. Hoe wijdverbreid die opvatting ook mag zijn: een kritische analyse is op zijn plaats, aldus Menno Kamminga in zijn openingsbijdrage “Westerse klimaatschuld? Een ethische kritiek”.

Ondanks enkele aannames “die de schuldvisie juist initiële sterkte geven” verdedigt Kamminga vervolgens de stelling “dat de notie van westerse ‘klimaatschuld’ ethisch twijfelachtig is.” Vooral twee argumenten spelen daarbij een rol: “Ten eerste is de creatie van welvaart en bestrijding van armoede via fossiele hulpbronnen en technologie een westers-culturele uitvinding, die gebaseerd is op hulpbronnen als constructie in plaats van als louter materie.” En daarnaast : “Ten tweede maken ontwikkelingslanden zich schuldig aan een dubbele moraal voor zover ze zowel van het Westen klimaatschuldbetaling eisen als zelf fossiele hulpbronnen (willen) aanwenden voor hun eigen economische ontwikkeling.”

De uiteindelijke conclusie luidt dan: “De westerse weerstand tegen klimaatschuld heeft morele kracht en moet dus niet worden afgedaan als louter politiek en gericht op eigenbelang.”

 Natuurlijk vraagt dat om weerwoord en commentaar, en dat wordt geleverd in een viertal korte reacties van de hand van Pieter Pekelharing, “Schuld is de kwestie niet”; Marcel Wissenburg, “Klimaatnijd en boter”; Michiel Korthals, “Ik vertrap je, maar omdat ik je daarna veel goeds geef, heb ik geen schuld!”; en Floris van den Berg, “Niet terugkijken maar vooruitblikken”. Het laatste woord, althans op deze pagina’s, is aan Menno Kamminga.

In zijn Minima Philosphica “De paradox van de tolerantie” bespreekt Cees Maris naar aanleiding van de afzegging door de Egyptisch-Amerikaanse feministe Mona Eltahawy om in debatcentrum De Balie te komen debatteren, de ‘paradox van de tolerantie’. Wanneer – naar Karl Popper – “de intoleranten elke argumentatie weigeren en geweld verkiezen, hebben de verdraagzamen in geval van nood alle recht onverdraagzaamheid buiten de wet te stellen.” Maar was dat ook wat er hier speelde?

Vervolgens gaat Saniye Çelik in haar bijdrage “Diversiteit vanuit het perspectief van waarden” nader in op rol en betekenis van de groeiende diversiteit in de Nederlandse samenleving. Daarbij is het dan van belang te weten “wat diversiteit in essentie is en waar het aan bijdraagt.” En om een antwoord te vinden op de vraag “hoe diversiteit, inclusie en waarden zich tot elkaar verhouden.” Tevens rijst daarbij de vraag “vanuit welke waarden mensen en organisaties diversiteit kunnen bevorderen.” Uiteindelijk komt het erop neer een goede weg te vinden om diversiteit tot “de normaalste zaak van de wereld” te kunnen maken.

In “Caster Semenya, of de worsteling van de sport met ‘de’ vrouw, het lichaam en het toeval” gaat Jan Vorstenbosch nader in op de uitsluiting van de Zuid-Afrikaanse atlete Caster Semenya, tweevoudig Olympisch kampioen op de 800 meter. De zaak heeft inmiddels al de nodige aandacht gekregen, maar blijft ethisch relevant “vanwege de intrigerende wisselwerking tussen normatieve vragen die elders relatief zelden gesteld worden.” Bij die vragen gaat het dan onder meer “om de rol die het lichaam en geluk of toeval spelen in de ‘natural lottery’, de wijze waarop mensen relatief willekeurig bedeeld zijn met genetisch overgedragen, lichamelijke aanleg in negatieve zin (handicaps, erfelijke ziektes) maar ook in positieve zin (talenten en fysiologische voordelen).” Moet iemand als Semenya in feite gestraft worden voor haar vermogen om in een specifieke sport uit te blinken en de top te bereiken?

Aansluitend volgen nog twee boekbesprekingen. Kees Hellingman bespreekt Tegen de vrouw. De wereldwijde strijd van rechtsisten en jihadisten tegen de emancipatie van Abram de Swaan. Casper Verstegen gaat nader in op Identity: Contemporary Identity Politics and the Struggle for Recognition van Francis Fukuyama. De rubriek Signalementen besluit zoals gebruikelijk ook weer dit nummer van F&P. 


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 40 (2019) 1, thema:

Huwelijk & Liefde

Hoe staat het met de waardering van huwelijk en liefde? En trouwens, wat is dat een ‘huwelijk’? Iets van vroeger? Toen mensen bij elkaar bleven ‘vanwege de kinderen’? Of natuurlijk ‘uit liefde’! Maar in liefde (en oorlog!) is alles geoorloofd. Nou ja, alles… Maar er kan veel… Dit themanummer van F&P – met dank aan Patrick Delaere en Cees Maris voor hun redactionele arbeid – gaat op zoek.

        Cees Maris, alweer sinds 1984 in het bezit van de heerlijkheid Sandelingenambacht (maar zonder het veronderstelde ius primae noctis – die tijd was al voor 1984 voorbij), opent dit themanummer met zijn bijdrage “Recht van de eerste nacht. Over seks, liefde en huwelijk”. Hij laat zijn licht schijnen over ondermeer de hoofse liefde, het christelijk huwelijk, het romantisch-burgerlijke huwelijk en de gevolgen van de seksuele revolutie. Hoewel hij ieder graag recht doet, verdedigt hij “dat in moderne plurale samenlevingen een veelheid van erotische liefdesvormen opbloeit die je het best eclectisch kunt benaderen. Dit blijkt als je de conflicterende modellen van het recht op de eerste nacht, de hoofse liefde, het christelijke huwelijk en het romantisch-burgerlijke huwelijk met elkaar confronteert. In al zijn verscheidenheid laat het liefdesleven zich hoogstens stileren tot ideaal van de meervoudige liefde. Of je daarnaast een huwelijk sluit is een zaak van juridische en sociaaleconomische opportuniteit.”

Oorlog voeren doe je niet in je eentje, en trouwen ook niet. Toch? In zijn bijdrage “Gelukkig getrouwd met jezelf” laat Patrick Delaere zien dat dit vandaag de dag genuanceerder ligt. Daarbij is hij vooral geïnteresseerd in de variant van ‘sologamie’ waarbij het gaat “om mensen - zowel vrouwen als mannen tonen interesse - die onvoorwaardelijke liefde hebben gevonden in en voor zichzelf, eeuwige trouw willen beloven aan zichzelf, en hun huwelijksceremonie afsluiten met een kus op een spiegel of op de beide duimen van hun eigen gevouwen handen.” Wat stelt deze ‘zelfliefde’ voor in de ogen van de “beoefenaren van de wijsbegeerte”? In Kants normatieve ethiek spat de waardering er niet speciaal vanaf! Harry Frankfurt, daarentegen, komt met “een veel welwillender analyse van de betekenis van zelfliefde en de waarde ervan.” Maar, aldus besluit Delaere, het is zaak dat de sologamist de gastenlijst voor de huwelijksvoltrekking met zorg samenstelt: “Want uiteindelijk valt er meer zelftevredenheid en zelfliefde te winnen door andere mensen toe te laten in onze levens, dan louter naar binnen gerichtheid ons ooit zal kunnen leveren.”

In zijn Minima Philosphica “Het gelijkgeslachtelijk huwelijk” vertrekt Han van Ruler vanuit “een heel persoonlijke ervaring” (die treffend aansluit bij de laatste opmerking van Delaere) waarover hij zegt: “ik kon mij hoe dan ook niet onttrekken aan het enorme emotionele effect dat het sluiten van een huwelijk in het bijzijn van familie, vrienden en collega’s op mij had. Van Ruler schrijft zijn ‘Mimima’ tegen de historische achtergrond zoals die werd geschilderd door Rodger Streitmatter in zijn boek Outlaw Marriages: The Hidden History of Fifteen Extraordinary Same-Sex Couples (Boston 2010). Het impliciete pleidooi van Streitmatter voor het instituut van het gay marriage is daarbij “meer dan een pleidooi voor gelijkheid; het is ook een pleidooi voor de mogelijkheid om mensen tot bloei te laten komen in de liefdesrelatie die hen past”.

In haar bijdrage “Romantische liefde en het huwelijk: moeten we het kind met het badwater weggooien?” geeft Katrien Schaubroeck vervolgens een overzicht van enkele recente vooral feministische argumenten in het filosofisch debat over het huwelijk. Zij laat zien dat dit debat evenzeer bepaald wordt door opvattingen over wat romantische liefde is dan door opvattingen over wat het huwelijk is. Daarbij onderzoekt zij of we de feministische argumenten tegen het huwelijk ter harte moeten nemen. “Is het huwelijk een instrument van onderdrukking? Mogen we dan nog trouwen? Is er anno 2019 nog plaats voor een authentieke, moreel toelaatbare, misschien zelfs moreel prijzenswaardige invulling van het gehuwde leven?” En als feministen tegen het huwelijk als dusdanig pleiten, of een zodanige hervorming van het huwelijk voorstaan dat niet romantische liefde maar vriendschap de te beschermen waarde wordt, dreigen ze dan meer van het badwater weg te gooien dan nodig?

En hij kwam al eerder even ter sprake, want ‘is er wijsgerig leven zonder Kant?’ Thomas Mertens besluit het thema van dit F&P-nummer met zijn bijdrage “Kant over seksualiteit en huwelijk”. Kant is streng, zeker waar het kwesties van moraal betreft. Dat bleef uiteraard niet onopgemerkt. “Het kantiaanse begrip van moraliteit als volledig losstaand van de menselijke natuur en onafhankelijk van haar doelen en bedoelingen is telkens met argwaan bezien. Morele voorschriften moeten immers aan mensen een leidraad bieden voor het voeren van een moreel verantwoord leven. Kan moraliteit zo’n leidraad wel bieden als zij de menselijke natuur niet in overweging neemt?” Water bij de wijn moeten doen, was niet het sterkste punt van Kant. Maar toch: in zijn bespreking van menselijke seksuele verlangens in de Metafysica van de zeden deed Kant zowel een beroep op ‘naturalistische’ argumenten als op meer ‘rationele’ argumenten. En dat dat aanleiding was tot verwarring “bleek al onmiddellijk na de publicatie van de Metafysica van de zeden, waarin Kant zijn ideeën over het huwelijksrecht uiteenzette.” De kritiek die daarop kwam, nam Kant zo serieus “dat hij er een paragraaf in de appendix bij de tweede uitgave van de Rechtsleer aan wijdde.” Maar de verwarring bleef. En dat niet alleen, korte tijd later namen Hegel en Fichte aanstoot aan Kants begrip van het huwelijk als een contract voor wederzijds seksueel voordeel. En zij waren niet de enigen. En dus rest de vraag die Thomas Mertens voor ons in zijn bijdrage onderzoekt: “Zijn Kants ideeën aangaande dit onderwerp inderdaad kleingeestig en achterhaald en onderschat hij het belang van liefde en vriendschap in het huwelijk?”   

Aansluitend volgen nog twee boekbesprekingen. Frank Saris bespreekt Natuur in Mensenland. Essays over ons nieuwe cultuurlandschap van Martin Drenthen. Michiel Korthals gaat nader in op De Tovenaar en de Profeet. Twee grondleggers en hun concurrerende ideeën over een leefbare toekomst op onze planeet van Charles Mann. De rubriek Signalementen besluit zoals gebruikelijk ook dit nummer van F&P.


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 39 (2018) 4; thema:

Privacy in het digitale tijdperk 

De Vereniging van Ethici in Nederland (VvEN) organiseerde op 9 november 2018 in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam een ‘toekomstverkenning’ met als thema ‘privacy in het digitale tijdperk’. Die toekomstverkenning krijgt in dit themanummer van Filosofie & Praktijk, nummer vier van de negenendertigste jaargang van F&P, een voortzetting met een reeks van bijdragen, deels voortbouwend op de presentaties, deels ook nieuwe thema’s en discussies aandragend. Deze bijdragen worden in de inleidende openingsbijdrage “Ten geleide: Toveren met algoritmen” kort voorgesteld. 

De “Minima Philosophica: De eigen tijdelijkheid van de ethiek” sluit daarbij aan vanwege het afscheid van VvEN-voorzitter Jan Vorstenbosch van de Universiteit Utrecht. Ingeleid door Patrick Delaere neemt Paul van Tongeren het woord. 

In “Wat voor schoenen draagt een vegetariër? Ethisch verantwoorde ambivalentie bij lastige morele keuzes” bespreekt Annika van Oorschot een inderdaad lastige morele keuze: “Normaal gesproken sturen mijn dierenliefde en mijn gevoel van verantwoordelijkheid voor het milieu me in dezelfde richting. Wat goed is voor de dieren is vaak ook goed voor het milieu en andersom, maar bij leren schoenen levert het me een dilemma op.

Wanneer je leer draagt om de hoeveelheid afval die je produceert te verminderen, maak je inbreuk op dieren. Wanneer je kiest voor schoenen van synthetisch materiaal om dieren te beschermen, maak je inbreuk op natuurlijke systemen. De centrale vraag is dus: als ik vegetariër ben vanwege dierenwelzijn en vanwege het milieu, moet ik dan leren schoenen dragen of niet?”   

Vervolgens gaat Ton Vink in “Euthanasie als faustisch verlangen” in op de publicatie Staat en taboe. Politiek van een goede dood van Paul Frissen, geschreven vanuit “het perspectief van de staat en zijn geweldsmonopolie”. 

Petran Kockelkoren zorgt voor een recensie van Op zoek naar de ziel van Europa. Een cultuurfilosofische verkenning van de hand van Koo van der Wal.

 

De gebruikelijke Signalementen sluiten dit nummer van F&P af.


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 39 (2018) 3; thema:

Filosofisch racisme & tirannie van de minderheid 

Dit derde nummer van de negenendertigste jaargang van Filosofie & Praktijk opent met het vervolg op de vraag naar racisme in de westerse filosofie. Cees Maris presenteert het tweede deel van zijn tweeluik. 

    Deel 1 van zijn essay (zie het vorige nummer van F&P) gaat over filosofisch racisme. Geestelijke voorvaderen van de liberale politieke filosofie vertoonden een bedenkelijke houding jegens kolonialisme en slavernij. Kant heeft zich expliciet racistisch uitgelaten, Locke heeft op zijn minst zijn handen vuilgemaakt aan de koloniale slavernij. Vandaar dat Afrikaanse filosofen als Mogobe Ramose de westerse filosofie verwerpen als een imperialistisch project. Ramose acht de politieke moraal van de Afrikaanse Ubuntu-filosofie superieur aan de liberale staatsleer met haar individuele mensenrechten. Volgens Wouter Veraart (VU) is de liberale politieke theorie als zodanig inderdaad besmet door dit racistische verleden. Maris brengt tegen deze laatste stelling in dat ze het onderscheid tussen genese en rechtvaardiging miskent. De liberale theorie heeft zich inmiddels gezuiverd van haar historische zonden; de liberale grondbeginselen van vrijheid en gelijkheid verbieden juist slavernij en koloniale onderwerping.

In deel 2 in dit F&P-nummer gaat Maris nader in op de oproep van Ramose en Veraart tot een dialoog tussen westerse en niet-westerse visies. Het gaat in het bijzonder om het afro-communalistische ideaal van Ubuntu (menselijkheid), dat volgens Ramose en geestverwanten ook buiten Afrika aantrekkelijk kan zijn. Maar in de Afrikaanse politieke filosofie is Ubuntu een omstreden concept. Daarom wordt Ramose’s Afrikaanse filosofie door ubuntu geplaatst in het bredere Afrikaanse Ubuntu-debat. Deze uiteenzetting mondt uit in een meerstemmige dialoog waarin het Ubuntu-ideaal wordt vergeleken met het politiek liberalisme.

        Gezien het debat in de Afrikaanse politieke filosofie concludeert Maris dat het Ubuntu-ideaal minstens twee varianten kent, die in een kritische dialoog met het liberalisme kunnen worden vergeleken op aantrekkelijkheid. Hij eindigt met een voorbeeld van zo’n dialoog.


Vervolgens buigt François Levrau zich over de vraag “Heerst de tirannie van de minderheid? Over rechten, multiculturalisme en dialoog”.

De vraag die hij in zijn artikel onderzoekt is of er zoiets bestaat (of kan bestaan) als een ‘tirannie van de minderheid’. “Is het zo dat de samenleving, mede als gevolg van de grondwettelijke bescherming tegen de tirannie van de meerderheid, het risico loopt te worden gevormd in functie van datgene wat een ‘onverzettelijke minderheid’ wil?”

Hij licht eerst toe wat hij met een ‘onverzettelijke minderheid’ bedoelt en beschrijft het principe aan de hand waarvan zij haar impact zou kunnen laten gelden. Vervolgens legt hij uit waarom de logica van de onverzettelijke minderheid een instrument is op basis waarvan xenofobische/islamofobe retoriek kan gedijen. De daarop volgende paragraaf diept dit conceptueel onderscheid verder uit. Kunnen we ons beroepen op criteria die bepalen welke claims wel/niet kunnen worden geaccommodeerd, zonder dat men daarbij de angst moet hebben door de dictaten van de minderheid te worden overheerst?

Vervolgens komt aan bod de mate waarin internationale verdragen en de codificatie van universele rechten in nationale wetgeving ervoor hebben gezorgd dat het (culturele) zelfbeschikkingsrecht van de meerderheidsgroep werd beperkt ten voordele van minderheidsgroepen, en de vraag of de interculturele dialoog enig soelaas kan brengen in de ‘erkenningsstrijd’ tussen meerderheidsgroep en minderheidsgroep. Tegen de achtergrond van het werk van Will Kymlicka alsmede Bhikhu Parekh en Chandran Kukathas bespreekt Levrau ook het alternatief van een samenleving die uit naast elkaar bestaande groepen bestaat. 

 

In zijn Minima Philosophica bespreekt Ton Vink de vraag naar de bescherming van dan wel tegen journalisten. “Want ja, (goede) journalistiek kan ook in verval raken. Impact, ophef en sensatie zijn de Homerische Sirenen voor de journalist van vandaag, en iets heel anders dan waarheidsvinding.”

 

Alfred Archer buigt zich in bijdrage over de vraag naar de “Bewondering van het immorele”. Een klassiek voorbeeld levert natuurlijk Roman Polanski (die schuld bekende en zijn land ontvluchtte) maar die lang niet de enige beroemdheid is die immoreel heeft gehandeld. De recente #metoo campagne heeft ertoe geleid dat een aantal bekende artiesten – onder wie Louis CK en Kevin Spacey, maar de rij wordt langer – werd beschuldigd van immoreel gedrag.

Is het gepast om deze artiesten ondanks hun immorele gedrag te bewonderen om hun artistieke talenten?  Archer analyseert twee manieren om de stelling te verdedigen dat het bewonderen van immorele kunstenaars moreel problematisch kan zijn. De eerste redenering is gebaseerd op de opvatting dat bewondering een waardering van iemands volledige persoonlijkheid inhoudt. Hier legt Archer uit waarom deze redenering niet overtuigend is. Vervolgens stelt hij een alternatieve argumentatie voor die wel overtuigend aangeeft waarom bewondering voor immorele kunstenaars een belediging van hun slachtoffers kan inhouden.

 

In de volgende bijdrage houdt Ton Vink in “Wil, wilsverklaring & verantwoordelijkheid” een “Pleidooi voor een nieuwe lezing van art. 2.2 van de euthanasiewet.” Hij betoogt dat problematische casuïstiek inzake de toepassing van art. 2.2 van de Wet Toetsing Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) waar het gaat om patiënten met gevorderde dementie de laatste jaren laat zien dat de oorspronkelijke lezing van dit onderdeel van de WTL negatief blijkt uit te pakken, voor alle betrokkenen: voor de patiënt, voor de naasten en latere nabestaanden, en voor de dokter. 

    Er zijn sinds het vankrachtworden van de WTL alweer meer dan vijftien jaar gepasseerd. Er is in die jaren ervaring opgedaan, veel ervaring. En van ervaring kun je – moet je – leren. En dat kan resulteren in een nieuwe lezing van art. 2.2. Tijd dus voor een poging tot zo’n nieuwe lezing en een bespreking van de mogelijkheden die er in geval van dementie wel degelijk zijn om te komen tot een ‘goede dood’.

 

Daarna bespreekt Tim Wolff De populistische verleiding. De keerzijde van de identiteitsillusie van Sybe Schaap en buigt Pieter Pekelharing zich in een column over de bestseller Homo Deus. A brief history of tomorrow van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. De gebruikelijke Signalementen sluiten dit nummer van F&P af.

------------------------------------------------



FILOSOFIE & PRAKTIJK, 39 (2018) 2; thema:

Ras, Discriminatie, Seks, Macht 

Dit tweede nummer van de negenendertigste jaargang van Filosofie & Praktijk opent met de vraag naar racisme in de westerse filosofie. In zijn bijdrage “Filosofisch racisme en Ubuntu. Afrikaanse filosofie en westers racisme” onderzoekt Cees Maris de rol van “het filosofisch racisme in het Westen” waarmee de Zuid-Afrikaanse filosoof Mogobe Ramose de westerse filosofie confronteert in zijn boek African Philosophy Through Ubuntu (1999). Maris’ bespreking bestaat uit twee delen. In dit nummer van F&P het eerste deel van waarin hij ingaat op de “stelling dat het racisme van een aantal grondleggers van de liberale politieke filosofie, met name John Locke, de liberale theorie als zodanig dodelijk heeft besmet.” Voor Ramose is dat wel degelijk het geval, met als gevolg de z.i. gerechtvaardigde eis dat het universitaire curriculum wordt gedekoloniseerd vanwege het inherente racisme van de westerse filosofie.” Minder ‘witte wijsbegeerte’! Maris brengt daartegenin “dat deze visie het onderscheid tussen genese en rechtvaardiging miskent, en dat het politiek liberalisme zich inmiddels heeft gezuiverd van de vooroordelen van zijn geestelijke vaders.” In deel 2 (in nr. 3 van deze jaargang) plaatst Maris Ramose’s filosofie in het brede Afrikaanse Ubuntu-debat. Daarbij vergelijkt hij “de politieke uitwerking van de Ubuntu-filosofie met het politiek liberalisme: welk van beide visies biedt de beste grondslag voor een constitutie in een moderne samenleving? Elke conclusie is voorlopig, dus het resultaat nodigt uit tot verdere dialoog.”  

Vervolgens betreden we een ander gebied waarop macht en discriminatie een rol spelen, met de bijdrage “Een reflectie op #metoo en de rol van onze morele sentimenten in desorienterende tijden” van Maureen Sie. Het betreft een vertaling van haar oratie (9 februari 2018) die F&P – gericht op Nederlandstalige bijdragen – graag opneemt. Sie verwijst naar het “bewonderenswaardige en ontroerende stuk Unspeakable Conversations” van Harriet McBryde Johnsonwaarin deze haar ontmoeting en discussie met dierenrechtenactivist Peter Singer beschrijft, die de visie verdedigt dat het leven van een ernstig gehandicapte persoon – van haar leven dus – minder waard te leven is, dan dat van valide mensen. McBryde Johnson, aldus MaureenSie, “is het daarmee grondig oneens. Ze noemt het een ‘vooroordeel’, een vooroordeel waar ze haar hele leven tegen gestreden heeft. Een visie die wellicht des te meer meer pijn doet omdat hij verdedigd wordt door een filosoof die zich hard maakt om het lijden van niet-menselijke dieren onder de aandacht te brengen en er ons toe te bewegen ons dat lot aan te trekken.” De bijdrage van Sie “gaat over de belangrijke rol van morele sentimenten in onze dagelijkse omgang met elkaar, zoals geillustreerd door de gedocumenteerde ontmoeting tussen McBryde Johnson en Singer.” Die rol wordt door haar verder toegelicht en uitgewerkt “aan de hand van #metoo zonder uit het oog te verliezen dat deze sentimenten ook regelmatig en dikwijls kunnen ontsporen, vooral wanneer partijen tegenover elkaar komen te staan en onze sentimenten vooral uitdrukking geven aan wat McBryde Johnson hierboven ‘een stammenstrijd’ noemt.”  

De korte bijdrage “Seks & macht” van Annemie Halsema sluit hierbij aan: “Hoe komt het toch dat seks en macht zo nauw met elkaar zijn verweven? Als de #metoo–discussie één filosofische vraag oproept, is het deze wel. Waarom is seks hét middel van mannen in machtige posities om vrouwen aan zich te onderwerpen? Waarom laten vrouwen dat gebeuren?” Is die vraag te beantwoorden “vanuit de aard van seksualiteit zelf”? 

In zijn Minima Philosophica gaat Marc Davidson op de verhouding tussen humanisme en duurzaamheid. “Juist het humanisme kan een duurzame leefstijl inbedden in een levensbeschouwing en verbinden aan een zingevingsperspectief. Het humanisme zal dan echter wel wat accenten moeten verleggen.” Maar welke accenten, en hoe die te verleggen? 

Michiel Korthals – onlangs verscheen zijn boek Goed Eten. Filosofie van voeding en landbouw – laat in zijn bijdrage “Voeding laat de wereld draaien” zien welke lessen uit dat gegeven te destilleren vallen. Die lessen betreffen bijvoorbeeld de scherpe filosofische tegenstelling tussen leven en dood, en een nette verdeling in soorten, want ook mensen behoren niet uitsluitend tot een aparte soort maar zijn een vermenging van veel soorten. “Mensen zijn (net als andere organismen) ingebed in complexe levende en niet-levende systemen, die allen een dynamisch, mutualistisch en procesmatig karakter hebben. Voeding in en tussen die systemen bewerkstelligt voortdurende vernieuwende transformaties, waar de betrokken organismen dan weer op reageren.” En die lessen resulteren ook in opdrachten voor de mens. “De inbedding van mensen in de wereld van organismen en dode processen heeft een buitengewoon uitgebalanceerde complexiteit en vraagt zowel om cognitieve als ethische vaardigheden van de kant van de mens.”  

Cees Maris keert nog eens terug met een korte bijdrage “Consument in narco-staat. Is drugsgebruik wel normaal?”uitgaande van het rapport Noodkreet Recherche (2018) dat de wereldpers haalde door de waarschuwing dat Nederland een ‘narco-staat’ aan het worden is. Maris: “We kunnen leren van de geschiedenis: het inzicht dat de oorlog tegen milde drugs niet kan worden gewonnen, heeft al geleid tot wereldwijde pacificatie. De Nederlandse overheid doet er goed aan deze globale ontwikkeling te volgen.”  

Bart van Leeuwen zorgt voor een bespreking van Rechtsstaat in VervalOver de Lange Mars door de Instituties (Damon, 2016, 400 pp.) van Sybe Schaap.

Jan Vorstenbosch recenseert de eerste drie delen (2017, 2018) uit de serie “De Woorden van...”, een uitgave van de Internationale School voor Wijsbegeerte. 

Albert Heringa reageert op de bijdrage van Ton Vink in het vorige nummer van F&P, “De zaak Heringa, het eerste decennium 2008-2018”. Vink zorgt voor een kort naschrift. 

Vervolgens komt er nog een korte column van Bart van Leeuwen “De student een flaneur, de universiteit een passage”, waarna de gebruikelijke Signalementen dit nummer afsluiten.

----------------------------------------



FILOSOFIE & PRAKTIJK, 39 (2018) 1; thema's:

Privacy & nepnieuws / Een zelfgekozen levenseinde 

Dit eerste nummer van de negenendertigste jaargang van Filosofie & Praktijk heeft twee thema’s tot onderwerp: ‘Privacy en nepnieuws’ en ‘Een zelfgekozen levenseinde’. 

Het thema ‘Privacy en nepnieuws’ opent met een artikel van Bart van der Sloot “Een nieuwe benadering van het recht op privacy. Hoe het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het republicanisme omarmde”. Daarin bespreekt Van der Sloot het recht op privacy, de technologische ontwikkeling en de leidende jurisprudentie in dit kader van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Zijn uitgangspunt is tweeledig: Om te beginnen de constatering “Het recht op privacy komt door een aantal technologische ontwikkelingen steeds meer onder druk te staan. Een voorbeeld is het onderscheid tussen de privésfeer en de publieke sfeer. Alhoewel dit onderscheid nooit absoluut is geweest, kon globaal een onderscheid worden gemaakt tussen het huis van een persoon, waar het grootste deel van het privéleven plaatshad, en de openbare ruimte, waar het publieke en openbare leven zich voltrok. Beide sferen worden in toenemende mate hybride.” Maar met daarnaast de vaststelling “Andersom wordt ook de publieke sfeer steeds meer hybride. Privéhandelingen en privéobjecten zijn steeds vaker in deze ruimte gesitueerd. Een voorbeeld kan zijn de mobiele telefoon, iPad of laptop. Hierop staat een groot deel van het privéleven van mensen en deze apparaten worden meegenomen en benut juist in de publieke ruimte.” Hoe verhoudt zich hier nationale wetgeving tegenover Europese bescherming van grondrechten? 

De volgende bijdrage “‘Nepnieuws’. Filosofische gedachten over het nieuws” is het tweede deel  van een tweeluik van Jan Vorstenbosch over ‘nepnieuws. In zijn eerdere beschouwing over ‘alternatieve feiten’ hield Vorstenbosch een pleidooi voor een serieuze interpretatie van de notie van ‘alternatieve feiten’ in het kader van een filosofie van het nieuws. Daarbij beschouwt hij het begrippenpaar ‘houdbaarheid’ en ‘relevantie’, ontleend aan de argumentatieleer van de Noorse filosoof Arne Naess, als een mogelijk vruchtbaar kader naast de meer gebruikelijke publieke discussies over ‘waarheid’, ‘onpartijdigheid’ en ‘objectiviteit’ van journalistieke berichtgeving. In deel 1 van het tweeluik ging het over houdbaarheid van feitelijke beweringen in nieuwsberichten. In dit artikel gaat het over relevantie van nieuwsberichten. Vorstenbosch probeert de gebruikelijke vereenzelviging te vermijden van ‘alternatieve feiten’ (zoals gebruikt in de discussie, altijd met aanhalingstekens, onhoudbare/onware, bewust leugenachtige en disruptieve berichten) en nepnieuws. Nepnieuws veronderstelt een idee van ‘echt’, relevant nieuws, afkomstig van een ‘echte’ nieuwsbron, ‘alternatieve feiten’ veronderstelt een idee van onhoudbare claims in nieuwsberichten. Sluitstuk vormt de oproep aan filosofen om zich, op wat voor manier dan ook, bezig te gaan houden met fundamentele vragen rond de praktijken van berichtgeving en nieuwsvoorziening in deze tijden. 

In zijn Minima Philosophica “Feit of fictie, de nieuwe macht van de mythe” zorgt Petran Kockelkoren ervoor dat Jan Vorstenbosch op zijn wenken bediend wordt: “Jaarlijks verrijken nieuwe woorden de Nederlandse taal, maar er zijn er maar weinig die zoveel filosofische discussies hebben opgerakeld als het begrip ‘nepnieuws’.” Wat is feit en wat is fictie? En wat is een juiste aanpak? “Fantasten bestoken met feiten heeft weinig zin, hun de verbeelding leren beteugelen wel.”  

Het thema van ‘Een zelfgekozen levenseinde’ opent met de bijdrage “De zaak-Heringa, het eerste decennium 2008-2018” door Ton Vink. Het artikel bevat een overzicht van belangrijke momenten uit het eerste decennium waarin de inmiddels bijna ‘klassieke’ zaak-Heringa zich afspeelt (2008-2018). Er bestaan daarbij opvallende verschillen tussen de vonnissen, en het ‘schuldig’ in ‘schuldig zonder strafoplegging’ uit 2013 voelt als een heel ander ‘schuldig’ vergeleken met het ‘schuldig’ in ‘schuldig met een gevangenisstraf van zes maanden geheel voorwaardelijk’ uit 2018. Was er sprake van ongerechtvaardigd optimisme? Of speelt er iets anders? Daarnaast besteed Vink aandacht aan de bijzondere positie van de hoofdpersonen, aan de vraag hoe en waarom de zaak überhaupt voor de rechter is gekomen en aan wat dit betekent: niet iedereen – denk ook aan de Coöperatie Laatste Wil – lijkt zich even goed bewust van de juridische werkelijkheid en risico’s. En ‘last’, maar zeker niet ‘least’ is er de vraag naar het belang van de rol die mogelijkerwijs is weggelegd voor Europese jurisprudentie, al moet die rol, zo zal blijken, echt nog handen en voeten krijgen. Europees recht weegt echter wel zwaarder dan nationaal recht en dat maakt deze rol tot een punt van blijvend belang, op voorwaarde natuurlijk dat het Europese recht hier een rol krijgt.” 

In “Zelfgekozen levenseinden: hoe lang nog? ‘Leven’, ‘geest’ en ‘dood’ als dwaallichten op weg naar Eijsbouts’ hiernamaals” reageert Hendrik Kaptein op een eerdere bijdrage van Tom Eijsbouts in het vorige nummer van F&P; Eijsbouts geeft een kort antwoord. Kaptein verdedigt dat zelfgekozen levenseinden niet kunnen berusten op keuzen voor de dood en tegen het leven, maar alleen te maken hebben met keuzen voor kortere en betere in plaats van langere en slechtere levens. In zijn bijdrage keerde Eijsbouts zich daartegen: kennis van de dood is er wel degelijk. Dan zouden zelfgekozen levenseinden toch kunnen berusten op voorkeuren voor de dood boven het leven; een opvatting waarin hij niet alleen staat. Maar Kaptein betoogt dat ‘wetenschap van de dood’ tenminste dubbelzinnig is. Niemand kan weten hoe het is om dood te zijn, net zo goed als wetenschap van de dood wél is gegeven in wetenschap van eigen en andermans sterfelijkheid en van de gevolgen daarvan. Het heeft er de schijn van dat Eijsbouts deze dubbelzinnigheid is ontgaan. Dat alles doet natuurlijk niets af aan het feit dat het ieder uiteraard vrijstaat om in van alles te geloven, “hoe het is om dood te zijn” incluis; maar, aldus Kaptein, daar hoort bij dat ‘mijn leven’ en ‘mijn dood’ nooit meer dan metaforen zijn waarmee zo goed mogelijk moet worden geleefd.  

Is geboren zijn – je zou er bijna wat van denken – dan misschien een ongemak? Patrick Delaere recenseert The Human Predicament. A Candid Guide to Life’s Biggest Questions (Oxford 2017) van David Benatar, auteur van Better never to have been (Oxford 2006). Zou de aarde niet beter afgeweest zijn zonder mensheid? Hoe Benatars pleidooi voor ‘realisme met een zwart randje’ op de individuele lezer overkomt zal, aldus Delaere, anders dan Benatar hoopt, niet alleen een kwestie zijn van argument maar ook van temperament.

----------------------------------------


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 38 (2017), 4,

Human enhancement / Dieren in ons midden

Dit vierde nummer van de achtendertigste jaargang van Filosofie & Praktijk heeft twee thema’s tot onderwerp: ‘Human enhancement’ en ‘Dieren in ons midden’.

Op 3 november 2017 organiseerde de Vereniging van Ethici in Nederland haar vijfde ethische toekomstverkenning te Utrecht, met als thema ‘human enhancement, ‘mens-verbetering’. Het eerste thema van dit nummer van F&P bevat een aantal bijdragen ontleend aan die toekomstverkenning. Het themadeel opent met een Ten Geleide door Patrick Delaere, “Ben ik te min?”, daarna volgen de bijdragen van René ten Bos (“Pliocene wanhoop: van hominisatie naar hominescentie”), Maartje Schermer (“Reflecties op twintig jaar enhancement debat”), Han Somsen (“Mens en Schepping in het Antropoceen”) en Erik Borgman (“Naar een laverende ethiek”), waarna Rob van Gerwen met zijn bijdrage “Fast forward vervreemding. Ons schuivend wereldbeeld”, dit thema afsluit: “Ik geloof dat we ons betere ik in onszelf moeten vinden, wil dat ‘betere ik’ consistent, coherent en authentiek zijn—en menselijk.”

In zijn Minima Philosophica “Zwart op snee, Spenglers Ondergang” gaat Ton Vink in op de recente publicatie van de Nederlandse vertaling van Oswald Spenglers De Ondergang van het Avondland.

Daarna volgt een tweede thema over Dieren in ons Midden – ‘animal enhancement’ zou ook kunnen. De concrete aanleiding tot dit thema ligt in de vijfde editie van de Dag van de Milieufilosofie, die plaatsvond op 22 april 2017 (Earth Day), in Artis, met als thema ‘Dieren in ons midden’.

Dit thema wordt gepresenteerd door bijdragen van Bernice Bovenkerk en Jozef Keulartz (“Dieren in ons midden – Een inleiding”), Caspar Janssen (“In de ban van dieren in ons midden”) en Jozef Keulartz (“Het einde van de Oostvaardersplassen?”).



FILOSOFIE & PRAKTIJK, 38 (2017) 3,

Filosofische gedachten over de wens te sterven 

Thomas Mertens opent dit F&P-nummer met zijn bijdrage “Kant over zelfmoord”. Je hoeft het niet eens te zijn met Camus’ stelling dat zelfmoord het enige relevante filosofische vraagstuk is om te erkennen dat de vraag naar de zelfgekozen dood een belangrijk thema is. Recente ontwikkelingen, zoals een verregaande medicalisering van het levenseinde in samenhang met een steeds hogere levensverwachting, hebben aan de ‘actualiteit’ van het zelfgekozen levenseinde en aan de behoefte om op een waardige manier afscheid van het leven te nemen – al dan niet met assistentie van een ander – bijgedragen. De discussie daarover is, opnieuw, aanleiding tot het thema van dit F&P-nummer. Vaak wordt van Kant betoogd dat hij zich expliciet en categorisch heeft uitgesproken tegen zelfmoord. Die zou in strijd zijn met de morele wet die zich, zoals bekend, aan de mens voordoet als een categorisch gebod. En dat klopt: Kant is inderdaad een uitgesproken tegenstander van zelfmoord. Tegelijkertijd wil Mertens laten zien dat Kants opvattingen over het zelf gekozen levenseinde gecompliceerder zijn dan wel wordt verondersteld. Wat bijvoorbeeld te doen wanneer – zoals in een van Kants voorbeelden – de eer alleen maar gered kan worden door voor de dood te kiezen? Mertens: “De gedachte dat de waarde van het leven ondergeschikt kan zijn aan de waarde van de eer, is mijns inziens een aantrekkelijke gedachte. Zij sluit aan bij een klassieke interpretatie van waardigheid als het behoud van status en decorum.” 

In zijn bijdrage “De geest, de dood en het leven. Herhaalde wilsverklaring” vertrekt Tom Eijsbouts vanuit de traditionele dualiteit van geest en lichaam – waarbij de gedachten onvermijdelijk naar Descartes gaan. Maar Eijsbouts stelt deze specifieke dualiteit ter discussie om haar te vervangen door een andere: geest en leven. Want, zo stelt hij, voor de bespreking van de grotere ethische en morele vraagstukken hebben we een ander instrument, een ander tweespan van woorden nodig dan geest en lichaam. We moeten begripsmatige beperkingen van het (eigen) lichaam verlaten en deze door ruimere begripsgrenzen vervangen. Zijn voorstel is daarvoor het koppel ‘geest en leven’ te proberen, zeker ook omdat langs die weg de grotere kwesties van zelfbeschikking binnen bereik komen, met name die rond ‘euthanasie’. En wat dat laatste betreft: wil je de ongewenste machtsgreep van het leven verijdelen, dan moet je zorgen, zelf klaar te zijn voor het eigen besluit op het moment dat het nodig is. Het besluit tot levensbeëindiging – want daar gaat het dan om – en de uitvoering moeten daarbij een zodanige vorm krijgen dat ook anderen, naasten, ermee uit de voeten kunnen. En wat te doen bij “plotselinge uitval van de geest”? Daarvoor is het nodig de geest van vóór dat moment te kunnen laten spreken, om handelen in zijn naam mogelijk te maken en zelfs af te dwingen. Eijsbouts eindigt daarom met zijn “Herhaalde wilsverklaring aangaande mijn levenseinde”. 

De discussie rond ‘voltooid leven’ als verondersteld motief voor een doodswens zal niemand ontgaan. Govert den Hartogh wijdt er zijn bijdrage aan: “Doodswensen van hoogbejaarden: een probleem voor de maatschappij, voor de dokter, of primair voor de ouderen zelf?” Als we ons bevrijden van de valse suggesties die het begrip ‘voltooid’ leven wekt, waar hebben we het dan over? Over doodswensen die specifiek zijn voor oude, meestal heel oude mensen, doodswensen dus die samenhangen met hun leeftijd. En dus stelt Den Hartogh voor de problematiek zo te identificeren: “het gaat om doodswensen van (zeer) oude mensen die voortkomen uit factoren die karakteristiek zijn voor hun leeftijd.” En dat levert dan vragen op als: Behoort deze problematiek tot het medisch domein? Brongersma-arrest, rapport commissie-Schnabel, promotie-onderzoek Van Wijngaarden, conceptwetsvoorstel Pia Dijkstra komen hier aan bod. En: Speelt de moderne maatschappij hier een (vooral negatieve) rol? Denk aan eenzaamheid, individualisering, afnemende zorg, geringe waardering voor ouderdom. Of: Is het de instelling van de oudere zelf? Denk aan angst voor afhankelijkheid, schaamte, “zo wil ik niet herinnerd worden”, onvermogen “te zijn wie je bent’. Maar: Moet de dokter het dan maar oplossen? Dat moet dan wel kunnen binnen de kaders van de ‘euthanasiewet’ en de daarin vervatte zorgvuldigheidseisen. Maar: Speelt de dokter anders geen enkele rol? Toch wel: “juist hoogbejaarden ‘die hun leven voltooid achten’ behoren bij uitstek tot de categorie mensen – oud en ziek – die hun leven op een humane manier zelf kunnen beëindigen, en wel door te stoppen met eten en drinken. Zoals de KNMG duidelijk heeft gemaakt, ligt er ook daarbij een taak voor de dokter.” En wellicht kan die dokter ook nog, uit overwegingen van zorgvuldigheid, een rol spelen binnen een voorstel om toegang tot letale middelen voor zelfdoding mogelijk te maken. Kortom: een discussie die nog niet aan zijn eind is. 

In zijn “Minima Philosophica: Stoppen met eten en drinken en het voordeel van gebrekkige logica” gaat Ton Vink vervolgens in op wat Den Hartogh in zijn bijdrage omschreef als de ‘pil van Drion’ die elke hoogbejaarde of ernstig zieke tot zijn beschikking heeft: de mogelijkheid om bewust af te zien van eten en drinken. Vink doet dat vanuit de concrete praktijk met onder meer een korte beschrijving van het proces per dag. Was dit een ‘goede dood’? En hoe handig is gebrek aan logica? 

Hoewel ‘voltooid leven’ een opvallende rol in de Nederlandse politiek speelt, gebeurt er in die politiek nog veel en veel meer. Daarop gaan de beide andere bijdragen in. Tegen de achtergrond en niet los van zaken als Brexit en de verkiezing van Donald Trump, doemen kwesties op als de groeiende tweedeling tussen de bovenkant en de onderkant van de samenleving die ook de middengroepen in de knel brengt, maar ook de noodzaak van een reflectie op de uitdagingen waar de Europese Unie aan bloot staat, inclusief mogelijke scenario’s om die het hoofd te bieden. Voor dat laatste is er de afsluitende bijdrage van Tannelie Blom: “Over de toekomst van Europa – de vijf scenario’s van de Europese Commissie, hun wenselijkheid en haalbaarheid.” In 1957 opgericht als de Europese Economische Gemeenschap vierde de Europese Unie (EU) op 25 maart 2017 in Rome haar zestigste verjaardag. Onder redactie van haar President, Jean-Claude Juncker, kwam er een “White Paper on the Future of Europe”. Hoe staat het met die toekomst? Hoe realistisch zijn de gepresenteerde vijf scenario’s en hoe, op welke gronden, er een keuze tussen te maken? Gegeven de problemen waar Europa voor staat zou een “stap voor stap benadering wel eens verstandiger kunnen zijn dan top-down voor eens en altijd de toekomst van de EU te willen vastleggen.” Aan het belang van het Europese project wordt daarmee overigens niets afgedaan. 

Dat belang is er zeker ook als het gaat om “Een samenleving van ongelijken”, titel en onderwerp van de bijdrage van Kees Vuyk. De groeiende tweedeling is al enige tijd voorwerp van onderzoek. Zo kreeg de Franse economisch historicus Thomas Piketty veel aandacht voor zijn boek Capital in the 21e Century waarin hij aantoont dat in onze samenleving mensen met vermogen financieel veel sterker staan dan degenen die hun geld verdienen met werken. Hij ziet dat als een terugkeer naar de situatie zoals die bestond aan het begin van de twintigste eeuw, na een kort tussenspel in de tweede helft van de twintigste eeuw, toen een tijd lang inkomen uit arbeid sneller steeg dan inkomen uit kapitaal. En die groeiende sociale verschillen beperken zich niet tot de wereld van de financiën, zij doen zich gelden op vrijwel alle terrreinen in de samenleving. In zijn bijdrage wil Vuyk “een poging doen het gelijkheidsideaal dat ten grondslag ligt aan de dynamiek van de burgerlijke samenleving van een nieuw perspectief te voorzien.” Dat doet hij onder meer via een discussie met de Franse ideeënhistoricus Pierre Rosanvallon die in een leerrijk boek The society of equals de geschiedenis van dit ideaal beschreven heeft en eveneens voorstellen doet om dit ideaal een nieuwe invulling te geven.   

De rubriek Signalementen besluit zoals gebruikelijk ook dit F&P-nummer.

-------------------


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 38 (2017) 2 - Filosofische gedachten over het nieuws:

Dit nummer van F&P opent met het eerste deel van een tweeluik door Jan Vorstenbosch. Het eerste artikel “Alternatieve feiten. Filosofische gedachten over  het  nieuws” gaat over het totstand komen en de houdbaarheidvan nieuwsfeiten, het tweede artikel zal over relevantie van nieuwsfeiten gaan. Het americanisme ‘alternative fact’ behoeft geen introductie meer. Maar: wat wordt ermee bedoeld? Wat is de invloed ervan en hoe ‘erg’ is het eigenlijk? Drijvende krachten achter de veranderingen in de wereld van nieuws en nieuwsvoorziening zijn de newssites op Internet, die de ‘oude’  media in een concurrentieslag met de digitale media hebben verwikkeld, de globalisering van het nieuws en de financiering van de media. Die financiering verloopt grotendeels via de markt en maakt kostbare, onafhankelijke onderzoeksjournalistiek steeds lastiger. De click-economie maakt het ook nog eens lucratief om nepnieuws de wereld in te sturen. Filosofen en ethici kunnen, aldus Vorstenbosch, op dit gebied een belangrijke rol spelen, o.a. omdat deze discussies steeds meer draaien om  fundamentele begrippen zoals feiten, waarheid en objectiviteit, waar hij een benadering aan toevoegt die primair vraagt naar houdbaarheid en relevantie van feitelijke beweringen over gebeurtenissen die in de media te vinden zijn. 

Daarnaast werd het nieuws in ons land ook beheerst door de pogingen tot formatie van een nieuw kabinet, pogingen die niet eenvoudiger werden door de botsing over ‘immateriele zaken’ tussen D66 en ChristenUnie. Een van de belangrijkste kwesties binnen die ‘immateriele zaken’ betreft het debat rond ‘euthanasie bij voltooid leven’. Waar het gaat om de aard van de aandoeningen die ten grondslag liggen aan een (gehonoreerd) verzoek om ‘euthanasie’ spitst de discussie zich vandaag de dag toe op speciale ‘groepen’ binnen de indieners van zo’n verzoek. Een daarvan is de groep ‘voltooid leven’. Twee andere groepen haalden ook met regelmaat het nieuws : de groep van psychiatrische patiënten en de groep met gevorderde dementie. Het leverde soms heftige discussies op, zoals tussen Boudewijn Chabot en Jacob Kohnstamm in de NRC.Bij alle drie groepen zorgt het honoreren door de arts van een verzoek om euthanasie derhalve voor de nodige problemen én voor de nodige discussie. In zijn bijdrage “Euthanasie en de aard van de aandoening. Over euthanasie bij dementie, psychiatrie en voltooid leven” neemt Ton Vink de problemen en de discussie onder de loep.

In dit nummer twee korte bijdragen van Frans Jacobs. In zijn bijdrage over “De tragische held” wil Jacobs de lezer wijzen op de figuur van de tragische held, zoals die in de klassieke oudheid werd gethematiseerd. Waarom? Omdat die tragische held gewoon een interessante figuur is. Of er daarnaast een actuele les uit te trekken valt, voor hedendaagse helden of ‘helden’ – of ‘lafaards’ of ‘terroristen’; de grens is soms vloeiend – wordt aan de lezer gelaten. 

In zijn tweede bijdrage gaat Frans Jacobs (oktober 2017 verschijnt zijn De essentie van Montaigne. ISVW-uitgevers) in op een filosoof die met name bekend werd door het stellen van een tamelijk basale vraag (die door de discussie over ‘alternatieve feiten’ toch ook weer in een nieuw daglicht verschijnt): Wat weet ik? Que sais-je. Was de steller van deze toch zeer filosofische vraag eigenlijk filosoof? Was Michel de Montaigne filosoof?   

Tussen deze laatste twee bijdragen in vindt de lezer de “Minima Philosophica: Freuds fundamentele regel” van Patrick Delaere. Geprikkeld door de vorig jaar maart te Amsterdam door Jonathan Lear gegeven Spinoza Lecturesgaat hij in op de vraag “wat moet een filosoof heden ten dage nog met Freuds erfenis? Kunnen Sigmund Freuds wetenschappelijke ideeën nog wel iets bijdragen aan ons zelfbegrip?” 

Er volgen daarna twee recensies: Sjaak Koenis bespreekt Onvermoed en onvermijdelijk. De vele gezichten van het neoliberalisme van Thomas Biebricher (onlangs in vertaling verschenen) en Michiel Korthals buigt zich over Dwalen in het antropoceen van René ten Bos. De rubriek Signalementen besluit zoals gebruikelijk ook dit F&P-nummer. 


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 38 (2017) 1 - Discussie & debat:

In zijn oratie “De politieke theorie van het voltooide leven” gaat Paul Nieuwenburg in op het initiatiefwetsvoorstel van D66/Pia Dijkstra, de Wet toetsing levenseindebegeleiding van ouderen op verzoek. Als het aan D66 ligt, dan kunnen ouderen van 75 jaar en ouder binnenkort een waardige, zelfgekozen dood sterven. Dit wetsvoorstel laat zien dat er wel degelijk ook perfectionisten binnen het liberalisme zijn. Perfectionisten houden er een objectieve theorie van het goede leven op na, onafhankelijk geldend van de toevallige opvattingen en wensen van de mensen zelf. En dus, aldus Nieuwenburg, zal ik “eerst aantonen dat de politieke theorie die we uit het wetsvoorstel moeten destilleren een perfectionistische is – van de liberale overtuiging.  Ik zal dat doen door een analyse van het begrip voltooid leven dat we vinden in de Memorie van Toelichting (MvT) bij de wet. Dit begrip impliceert een theorie van het goede leven die John Stuart Mill niet zou misstaan. Vervolgens zal ik betogen dat deze theorie faalt – en faalt in haar eigen termen. Tenslotte zal ik laten zien wat de implicaties zouden moeten zijn van een echte liberaal-perfectionistische theorie – een theorie die in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel op interessante en misschien veelzeggende wijze verkeerd weergegeven wordt.” 

In zijn bijdrage “Een pleidooi voor aandacht voor Andipunten” onderzoek Eite Veening een vraag die op alle mogelijke plaatsen en in het denken van alle mogelijke mensen op alle mogelijke posities in wellicht elke maatschappij bijna dagelijks gesteld wordt, en wel de vraag: ‘waar ligt de grens’? Meestal is die vraag natuurlijk: waar trekken we de grens? Want die grens ligt zelden ergens zo dat die ‘gevonden’ zou kunnen worden. Over de plaats van die grens is ooit door iemand besloten of moet nog of weer worden besloten; die grens moet worden gesteld, getrokken, betwist. In dit artikel gaat het om de breedte van dat trekken van grenzen. Daarbij moet er ook een conceptuele en semantische ‘lacune’ gevuld worden die in het artikel zichtbaar zal worden: we kennen deze thematiek allemaal en we hebben het er heel vaak over en in de media gaat het er vrijwel dagelijks over, maar we gebruiken er geen soort-woord voor. We hebben geen term voor een brede gelijksoortige verzameling ‘kwesties’. 

Tim Wolff zorgt voor een reviewartikel naar aanleiding van het proefschrift Choosing Sharia: Multiculturalism, Islamic Fundamentalism and Sharia Councils van Machteld Zee (Universiteit Leiden). Het proefschrift heeft nationaal en internationaal, binnen en buiten de academische wereld, veel belangstelling gewekt, onder meer omdat de auteur toegang heeft gekregen tot enkele zogenaamde shariaraden in Engeland. Dat is bijzonder, zeker als de onderzoeker westers is en ook nog vrouw. Zee heeft haar (Engelstalige) proefschrift voor een breder publiek bewerkt tot het onlangs uitgekomen (Nederlandstalige) Heilige identiteiten. Op weg naar een shariastaat? Zee wil duidelijk de noodklok luiden en wat betreft de door haar onderzochte shariaraden is daar ook aanleiding toe. De vraag is of haar bredere claims over islamisering en multiculturalisme ook overtuigen. 

In een tweede reviewartikel gaat Steven Dorrestijn in op de publicatie van Maurits Martijn & Dimitri Tokmetzis Je hebt wél iets te verbergen, een boek met als ondertitel: Over het levensbelang van privacy. Daarmee gaat dit boek krachtig in tegen de veelgehoorde mening dat wie niets te verbergen heeft, toch ook niet bang hoeft te zijn om in de gaten gehouden te worden. Dat moeten we dus wel. In uitzonderingssituaties zoals een politieke omslag naar een totalitair bewind of oorlog kunnen data die nu onschuldig zijn plotseling letterlijk levensgevaarlijk worden. Dat is een indringende waarschuwing, die we eigenlijk al kennen, maar misschien niet serieus genoeg nemen. Echter, ook in het alledaagse leven krijgen we op allerlei manieren te maken met bemoeienis en beïnvloeding via techniek en data. Als dat ook klinkt als een abstract probleem, dan zal het lezen van dit boek daar zeker verandering in brengen. 

De Minima Philosophica, “Over goede en slechte emoties”, komen van de hand van Sjaak Koenis. Om iedereen recht te doen, kun je niet “aan de ene kant pleiten voor de redelijkheid van emoties om vervolgens aan de andere kant per decreet te bepalen dat sommige emoties onredelijk zijn zonder de inbreng van de betrokkenen serieus te nemen.” En dus moeten we naar een andere oplossing: “In plaats van een politiek van goede emoties voel ik meer voor zo'n ‘negatieve politiek’ (deze term ontleen ik aan Margalit) van het voorkomen van discriminatie en negatieve stereotypering, die onze samenleving op termijn wellicht wat fatsoenlijker kan maken.” 

Annemarie Kalis bespreekt in “Wat zoeken filosofen? Over de relatie tussen filosofie en geluk” de recente publicatie van HansThijssen: Wat filosofen weten. Over het verlangen naar geluk en de honger naar kennis. De levenskunstfilosofie is de laatste decennia sterk in opkomst. Boeken van auteurs als Joep Dohmen, Wilhelm Schmid en Alain de Botton vinden bij het publiek gretig aftrek, en ook in cursussen filosofie en filosofische publieksactiviteiten zoals Brainwash Festival staat de levenskunst regelmatig op het programma. Maar de levenskunstfilosofie lijkt vooral buiten de academische filosofie weerklank te vinden; aan de universiteit komt men haar zelden tegen. Hoe verhoudt de filosofie als discipline zich tot de vraag naar het geluk? 

In “Vrijheidspraktijken in wereldperspectief” bespreekt Noortje Delissen A New Dawn for the Second Sex: Women’s Freedom Practices in World Perspective van Karen Vintges. Wat kunnen we zeggen over de staat en status van het feminisme nu er bijna een halve eeuw verstreken is na Simone de Beauvoirs publicatie van De Tweede Sekse (1949)? Dit is de onderliggende vraag in Karen Vintges’ boek A New Dawn for the Second Sex. Maar in tegenstelling tot De Beauvoir, die de problematiek van staat en status van het feminisme vooral vanuit een westers perspectief leek te benaderen, probeert Vintges hier een nieuw, meer inclusief verhaal over vrouwenemancipatie wereldwijd naar voren te brengen. 

Michiel Korthals gaat in “De inventieve wereld van Darwin” in op Botanische revolutie van Norbert Peeters. In de uitvoerige inleiding van zijn boek laat Peeters zien dat de botanische belangstelling en studies van Darwin stelselmatig zijn onderschat. Ook tijdens zijn Beagle reis was Darwin helemaal niet geïnteresseerd in Darwinvinken of andere dieren, maar in planten. Na de inleiding volgt in de diverse hoofdstukken een bespreking van een vijftal boeken dat Darwin schreef over planten, hun betekenis en ingewikkelde leven. 

Gijs van Oenen gaat in “Mild over politieke boosheid” in op De januskop van de democratie. Over de bronnen van boosheid in de politiek van Sjaak Koenis. Linkse nostalgici denken dat in de jaren zestig nog politiek werd bedreven vanuit rebelse idealen, terwijl we tegenwoordig maar zitten opgescheept met rechts ressentiment en populisme. Koenis wil dit beeld corrigeren. Rebelse idealen en populisme, zo stelt hij, worden aangedreven door een en hetzelfde psychologische mechanisme: boosheid. Het verschil is: vijftig jaar terug kwam de politieke boosheid van links, tegenwoordig komt die van rechts. Het is een kwestie van perceptie en politieke voorkeur of we die boosheid framen als rebels of als rancuneus. Belangrijker is wat mensen doen met hun woede. De ‘elfde stelling’ van Koenis luidt met andere woorden: de filosofen hebben de politieke boosheid tot nu toe alleen verschillend benoemd; het gaat erom, haar serieus te nemen. 

Het decembernummer van F&P jaargang 2016 bevatte een reviewartikel “Hoe zo ‘voltooid leven’?” (pp. 67-77). In een vervolg op die review zorgen Carlo Leget en Els van Wijngaarden voor een antwoord namens de auteurs van de besproken publicaties, gevolgd door een korte reactie van de reviewer en een slotreactie namens de auteurs. De kwestie ‘voltooid leven’ blijft voorlopig in de belangstelling staan. Bijvoorbeeld omdat de Hoge Raad de zaak van Albert Heringa heeft terugverwezen naar het hof te ’s-Hertogenbosch, maar ook omdat Pia Dijkstra (D66) haar wetsvoorstel  in het vooruitzicht heeft gesteld, in de openingsbijdrage van dit nummer van F&P besproken. We zijn we er dus nog niet vanaf. 

De rubriek Signalementen besluit, zoals gebruikelijk, ook dit nummer van F&P.