FILOSOFIE & PRAKTIJK, 39 (2018) 1; thema's:

Privacy & nepnieuws / Een zelfgekozen levenseinde 

Dit eerste nummer van de negenendertigste jaargang van Filosofie & Praktijk heeft twee thema’s tot onderwerp: ‘Privacy en nepnieuws’ en ‘Een zelfgekozen levenseinde’. 

Het thema ‘Privacy en nepnieuws’ opent met een artikel van Bart van der Sloot “Een nieuwe benadering van het recht op privacy. Hoe het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het republicanisme omarmde”. Daarin bespreekt Van der Sloot het recht op privacy, de technologische ontwikkeling en de leidende jurisprudentie in dit kader van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Zijn uitgangspunt is tweeledig: Om te beginnen de constatering “Het recht op privacy komt door een aantal technologische ontwikkelingen steeds meer onder druk te staan. Een voorbeeld is het onderscheid tussen de privésfeer en de publieke sfeer. Alhoewel dit onderscheid nooit absoluut is geweest, kon globaal een onderscheid worden gemaakt tussen het huis van een persoon, waar het grootste deel van het privéleven plaatshad, en de openbare ruimte, waar het publieke en openbare leven zich voltrok. Beide sferen worden in toenemende mate hybride.” Maar met daarnaast de vaststelling “Andersom wordt ook de publieke sfeer steeds meer hybride. Privéhandelingen en privéobjecten zijn steeds vaker in deze ruimte gesitueerd. Een voorbeeld kan zijn de mobiele telefoon, iPad of laptop. Hierop staat een groot deel van het privéleven van mensen en deze apparaten worden meegenomen en benut juist in de publieke ruimte.” Hoe verhoudt zich hier nationale wetgeving tegenover Europese bescherming van grondrechten? 

De volgende bijdrage “‘Nepnieuws’. Filosofische gedachten over het nieuws” is het tweede deel  van een tweeluik van Jan Vorstenbosch over ‘nepnieuws. In zijn eerdere beschouwing over ‘alternatieve feiten’ hield Vorstenbosch een pleidooi voor een serieuze interpretatie van de notie van ‘alternatieve feiten’ in het kader van een filosofie van het nieuws. Daarbij beschouwt hij het begrippenpaar ‘houdbaarheid’ en ‘relevantie’, ontleend aan de argumentatieleer van de Noorse filosoof Arne Naess, als een mogelijk vruchtbaar kader naast de meer gebruikelijke publieke discussies over ‘waarheid’, ‘onpartijdigheid’ en ‘objectiviteit’ van journalistieke berichtgeving. In deel 1 van het tweeluik ging het over houdbaarheid van feitelijke beweringen in nieuwsberichten. In dit artikel gaat het over relevantie van nieuwsberichten. Vorstenbosch probeert de gebruikelijke vereenzelviging te vermijden van ‘alternatieve feiten’ (zoals gebruikt in de discussie, altijd met aanhalingstekens, onhoudbare/onware, bewust leugenachtige en disruptieve berichten) en nepnieuws. Nepnieuws veronderstelt een idee van ‘echt’, relevant nieuws, afkomstig van een ‘echte’ nieuwsbron, ‘alternatieve feiten’ veronderstelt een idee van onhoudbare claims in nieuwsberichten. Sluitstuk vormt de oproep aan filosofen om zich, op wat voor manier dan ook, bezig te gaan houden met fundamentele vragen rond de praktijken van berichtgeving en nieuwsvoorziening in deze tijden. 

In zijn Minima Philosophica “Feit of fictie, de nieuwe macht van de mythe” zorgt Petran Kockelkoren ervoor dat Jan Vorstenbosch op zijn wenken bediend wordt: “Jaarlijks verrijken nieuwe woorden de Nederlandse taal, maar er zijn er maar weinig die zoveel filosofische discussies hebben opgerakeld als het begrip ‘nepnieuws’.” Wat is feit en wat is fictie? En wat is een juiste aanpak? “Fantasten bestoken met feiten heeft weinig zin, hun de verbeelding leren beteugelen wel.”  

Het thema van ‘Een zelfgekozen levenseinde’ opent met de bijdrage “De zaak-Heringa, het eerste decennium 2008-2018” door Ton Vink. Het artikel bevat een overzicht van belangrijke momenten uit het eerste decennium waarin de inmiddels bijna ‘klassieke’ zaak-Heringa zich afspeelt (2008-2018). Er bestaan daarbij opvallende verschillen tussen de vonnissen, en het ‘schuldig’ in ‘schuldig zonder strafoplegging’ uit 2013 voelt als een heel ander ‘schuldig’ vergeleken met het ‘schuldig’ in ‘schuldig met een gevangenisstraf van zes maanden geheel voorwaardelijk’ uit 2018. Was er sprake van ongerechtvaardigd optimisme? Of speelt er iets anders? Daarnaast besteed Vink aandacht aan de bijzondere positie van de hoofdpersonen, aan de vraag hoe en waarom de zaak überhaupt voor de rechter is gekomen en aan wat dit betekent: niet iedereen – denk ook aan de Coöperatie Laatste Wil – lijkt zich even goed bewust van de juridische werkelijkheid en risico’s. En ‘last’, maar zeker niet ‘least’ is er de vraag naar het belang van de rol die mogelijkerwijs is weggelegd voor Europese jurisprudentie, al moet die rol, zo zal blijken, echt nog handen en voeten krijgen. Europees recht weegt echter wel zwaarder dan nationaal recht en dat maakt deze rol tot een punt van blijvend belang, op voorwaarde natuurlijk dat het Europese recht hier een rol krijgt.” 

In “Zelfgekozen levenseinden: hoe lang nog? ‘Leven’, ‘geest’ en ‘dood’ als dwaallichten op weg naar Eijsbouts’ hiernamaals” reageert Hendrik Kaptein op een eerdere bijdrage van Tom Eijsbouts in het vorige nummer van F&P; Eijsbouts geeft een kort antwoord. Kaptein verdedigt dat zelfgekozen levenseinden niet kunnen berusten op keuzen voor de dood en tegen het leven, maar alleen te maken hebben met keuzen voor kortere en betere in plaats van langere en slechtere levens. In zijn bijdrage keerde Eijsbouts zich daartegen: kennis van de dood is er wel degelijk. Dan zouden zelfgekozen levenseinden toch kunnen berusten op voorkeuren voor de dood boven het leven; een opvatting waarin hij niet alleen staat. Maar Kaptein betoogt dat ‘wetenschap van de dood’ tenminste dubbelzinnig is. Niemand kan weten hoe het is om dood te zijn, net zo goed als wetenschap van de dood wél is gegeven in wetenschap van eigen en andermans sterfelijkheid en van de gevolgen daarvan. Het heeft er de schijn van dat Eijsbouts deze dubbelzinnigheid is ontgaan. Dat alles doet natuurlijk niets af aan het feit dat het ieder uiteraard vrijstaat om in van alles te geloven, “hoe het is om dood te zijn” incluis; maar, aldus Kaptein, daar hoort bij dat ‘mijn leven’ en ‘mijn dood’ nooit meer dan metaforen zijn waarmee zo goed mogelijk moet worden geleefd.  

Is geboren zijn – je zou er bijna wat van denken – dan misschien een ongemak? Patrick Delaere recenseert The Human Predicament. A Candid Guide to Life’s Biggest Questions (Oxford 2017) van David Benatar, auteur van Better never to have been (Oxford 2006). Zou de aarde niet beter afgeweest zijn zonder mensheid? Hoe Benatars pleidooi voor ‘realisme met een zwart randje’ op de individuele lezer overkomt zal, aldus Delaere, anders dan Benatar hoopt, niet alleen een kwestie zijn van argument maar ook van temperament.

----------------------------------------


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 38 (2017), 4,

Human enhancement / Dieren in ons midden

Dit vierde nummer van de achtendertigste jaargang van Filosofie & Praktijk heeft twee thema’s tot onderwerp: ‘Human enhancement’ en ‘Dieren in ons midden’.

Op 3 november 2017 organiseerde de Vereniging van Ethici in Nederland haar vijfde ethische toekomstverkenning te Utrecht, met als thema ‘human enhancement, ‘mens-verbetering’. Het eerste thema van dit nummer van F&P bevat een aantal bijdragen ontleend aan die toekomstverkenning. Het themadeel opent met een Ten Geleide door Patrick Delaere, “Ben ik te min?”, daarna volgen de bijdragen van René ten Bos (“Pliocene wanhoop: van hominisatie naar hominescentie”), Maartje Schermer (“Reflecties op twintig jaar enhancement debat”), Han Somsen (“Mens en Schepping in het Antropoceen”) en Erik Borgman (“Naar een laverende ethiek”), waarna Rob van Gerwen met zijn bijdrage “Fast forward vervreemding. Ons schuivend wereldbeeld”, dit thema afsluit: “Ik geloof dat we ons betere ik in onszelf moeten vinden, wil dat ‘betere ik’ consistent, coherent en authentiek zijn—en menselijk.”

In zijn Minima Philosophica “Zwart op snee, Spenglers Ondergang” gaat Ton Vink in op de recente publicatie van de Nederlandse vertaling van Oswald Spenglers De Ondergang van het Avondland.

Daarna volgt een tweede thema over Dieren in ons Midden – ‘animal enhancement’ zou ook kunnen. De concrete aanleiding tot dit thema ligt in de vijfde editie van de Dag van de Milieufilosofie, die plaatsvond op 22 april 2017 (Earth Day), in Artis, met als thema ‘Dieren in ons midden’.

Dit thema wordt gepresenteerd door bijdragen van Bernice Bovenkerk en Jozef Keulartz (“Dieren in ons midden – Een inleiding”), Caspar Janssen (“In de ban van dieren in ons midden”) en Jozef Keulartz (“Het einde van de Oostvaardersplassen?”).



FILOSOFIE & PRAKTIJK, 38 (2017) 3,

Filosofische gedachten over de wens te sterven 

Thomas Mertens opent dit F&P-nummer met zijn bijdrage “Kant over zelfmoord”. Je hoeft het niet eens te zijn met Camus’ stelling dat zelfmoord het enige relevante filosofische vraagstuk is om te erkennen dat de vraag naar de zelfgekozen dood een belangrijk thema is. Recente ontwikkelingen, zoals een verregaande medicalisering van het levenseinde in samenhang met een steeds hogere levensverwachting, hebben aan de ‘actualiteit’ van het zelfgekozen levenseinde en aan de behoefte om op een waardige manier afscheid van het leven te nemen – al dan niet met assistentie van een ander – bijgedragen. De discussie daarover is, opnieuw, aanleiding tot het thema van dit F&P-nummer. Vaak wordt van Kant betoogd dat hij zich expliciet en categorisch heeft uitgesproken tegen zelfmoord. Die zou in strijd zijn met de morele wet die zich, zoals bekend, aan de mens voordoet als een categorisch gebod. En dat klopt: Kant is inderdaad een uitgesproken tegenstander van zelfmoord. Tegelijkertijd wil Mertens laten zien dat Kants opvattingen over het zelf gekozen levenseinde gecompliceerder zijn dan wel wordt verondersteld. Wat bijvoorbeeld te doen wanneer – zoals in een van Kants voorbeelden – de eer alleen maar gered kan worden door voor de dood te kiezen? Mertens: “De gedachte dat de waarde van het leven ondergeschikt kan zijn aan de waarde van de eer, is mijns inziens een aantrekkelijke gedachte. Zij sluit aan bij een klassieke interpretatie van waardigheid als het behoud van status en decorum.” 

In zijn bijdrage “De geest, de dood en het leven. Herhaalde wilsverklaring” vertrekt Tom Eijsbouts vanuit de traditionele dualiteit van geest en lichaam – waarbij de gedachten onvermijdelijk naar Descartes gaan. Maar Eijsbouts stelt deze specifieke dualiteit ter discussie om haar te vervangen door een andere: geest en leven. Want, zo stelt hij, voor de bespreking van de grotere ethische en morele vraagstukken hebben we een ander instrument, een ander tweespan van woorden nodig dan geest en lichaam. We moeten begripsmatige beperkingen van het (eigen) lichaam verlaten en deze door ruimere begripsgrenzen vervangen. Zijn voorstel is daarvoor het koppel ‘geest en leven’ te proberen, zeker ook omdat langs die weg de grotere kwesties van zelfbeschikking binnen bereik komen, met name die rond ‘euthanasie’. En wat dat laatste betreft: wil je de ongewenste machtsgreep van het leven verijdelen, dan moet je zorgen, zelf klaar te zijn voor het eigen besluit op het moment dat het nodig is. Het besluit tot levensbeëindiging – want daar gaat het dan om – en de uitvoering moeten daarbij een zodanige vorm krijgen dat ook anderen, naasten, ermee uit de voeten kunnen. En wat te doen bij “plotselinge uitval van de geest”? Daarvoor is het nodig de geest van vóór dat moment te kunnen laten spreken, om handelen in zijn naam mogelijk te maken en zelfs af te dwingen. Eijsbouts eindigt daarom met zijn “Herhaalde wilsverklaring aangaande mijn levenseinde”. 

De discussie rond ‘voltooid leven’ als verondersteld motief voor een doodswens zal niemand ontgaan. Govert den Hartogh wijdt er zijn bijdrage aan: “Doodswensen van hoogbejaarden: een probleem voor de maatschappij, voor de dokter, of primair voor de ouderen zelf?” Als we ons bevrijden van de valse suggesties die het begrip ‘voltooid’ leven wekt, waar hebben we het dan over? Over doodswensen die specifiek zijn voor oude, meestal heel oude mensen, doodswensen dus die samenhangen met hun leeftijd. En dus stelt Den Hartogh voor de problematiek zo te identificeren: “het gaat om doodswensen van (zeer) oude mensen die voortkomen uit factoren die karakteristiek zijn voor hun leeftijd.” En dat levert dan vragen op als: Behoort deze problematiek tot het medisch domein? Brongersma-arrest, rapport commissie-Schnabel, promotie-onderzoek Van Wijngaarden, conceptwetsvoorstel Pia Dijkstra komen hier aan bod. En: Speelt de moderne maatschappij hier een (vooral negatieve) rol? Denk aan eenzaamheid, individualisering, afnemende zorg, geringe waardering voor ouderdom. Of: Is het de instelling van de oudere zelf? Denk aan angst voor afhankelijkheid, schaamte, “zo wil ik niet herinnerd worden”, onvermogen “te zijn wie je bent’. Maar: Moet de dokter het dan maar oplossen? Dat moet dan wel kunnen binnen de kaders van de ‘euthanasiewet’ en de daarin vervatte zorgvuldigheidseisen. Maar: Speelt de dokter anders geen enkele rol? Toch wel: “juist hoogbejaarden ‘die hun leven voltooid achten’ behoren bij uitstek tot de categorie mensen – oud en ziek – die hun leven op een humane manier zelf kunnen beëindigen, en wel door te stoppen met eten en drinken. Zoals de KNMG duidelijk heeft gemaakt, ligt er ook daarbij een taak voor de dokter.” En wellicht kan die dokter ook nog, uit overwegingen van zorgvuldigheid, een rol spelen binnen een voorstel om toegang tot letale middelen voor zelfdoding mogelijk te maken. Kortom: een discussie die nog niet aan zijn eind is. 

In zijn “Minima Philosophica: Stoppen met eten en drinken en het voordeel van gebrekkige logica” gaat Ton Vink vervolgens in op wat Den Hartogh in zijn bijdrage omschreef als de ‘pil van Drion’ die elke hoogbejaarde of ernstig zieke tot zijn beschikking heeft: de mogelijkheid om bewust af te zien van eten en drinken. Vink doet dat vanuit de concrete praktijk met onder meer een korte beschrijving van het proces per dag. Was dit een ‘goede dood’? En hoe handig is gebrek aan logica? 

Hoewel ‘voltooid leven’ een opvallende rol in de Nederlandse politiek speelt, gebeurt er in die politiek nog veel en veel meer. Daarop gaan de beide andere bijdragen in. Tegen de achtergrond en niet los van zaken als Brexit en de verkiezing van Donald Trump, doemen kwesties op als de groeiende tweedeling tussen de bovenkant en de onderkant van de samenleving die ook de middengroepen in de knel brengt, maar ook de noodzaak van een reflectie op de uitdagingen waar de Europese Unie aan bloot staat, inclusief mogelijke scenario’s om die het hoofd te bieden. Voor dat laatste is er de afsluitende bijdrage van Tannelie Blom: “Over de toekomst van Europa – de vijf scenario’s van de Europese Commissie, hun wenselijkheid en haalbaarheid.” In 1957 opgericht als de Europese Economische Gemeenschap vierde de Europese Unie (EU) op 25 maart 2017 in Rome haar zestigste verjaardag. Onder redactie van haar President, Jean-Claude Juncker, kwam er een “White Paper on the Future of Europe”. Hoe staat het met die toekomst? Hoe realistisch zijn de gepresenteerde vijf scenario’s en hoe, op welke gronden, er een keuze tussen te maken? Gegeven de problemen waar Europa voor staat zou een “stap voor stap benadering wel eens verstandiger kunnen zijn dan top-down voor eens en altijd de toekomst van de EU te willen vastleggen.” Aan het belang van het Europese project wordt daarmee overigens niets afgedaan. 

Dat belang is er zeker ook als het gaat om “Een samenleving van ongelijken”, titel en onderwerp van de bijdrage van Kees Vuyk. De groeiende tweedeling is al enige tijd voorwerp van onderzoek. Zo kreeg de Franse economisch historicus Thomas Piketty veel aandacht voor zijn boek Capital in the 21e Century waarin hij aantoont dat in onze samenleving mensen met vermogen financieel veel sterker staan dan degenen die hun geld verdienen met werken. Hij ziet dat als een terugkeer naar de situatie zoals die bestond aan het begin van de twintigste eeuw, na een kort tussenspel in de tweede helft van de twintigste eeuw, toen een tijd lang inkomen uit arbeid sneller steeg dan inkomen uit kapitaal. En die groeiende sociale verschillen beperken zich niet tot de wereld van de financiën, zij doen zich gelden op vrijwel alle terrreinen in de samenleving. In zijn bijdrage wil Vuyk “een poging doen het gelijkheidsideaal dat ten grondslag ligt aan de dynamiek van de burgerlijke samenleving van een nieuw perspectief te voorzien.” Dat doet hij onder meer via een discussie met de Franse ideeënhistoricus Pierre Rosanvallon die in een leerrijk boek The society of equals de geschiedenis van dit ideaal beschreven heeft en eveneens voorstellen doet om dit ideaal een nieuwe invulling te geven.   

De rubriek Signalementen besluit zoals gebruikelijk ook dit F&P-nummer.

-------------------


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 38 (2017) 2 - Filosofische gedachten over het nieuws:

Dit nummer van F&P opent met het eerste deel van een tweeluik door Jan Vorstenbosch. Het eerste artikel “Alternatieve feiten. Filosofische gedachten over  het  nieuws” gaat over het totstand komen en de houdbaarheidvan nieuwsfeiten, het tweede artikel zal over relevantie van nieuwsfeiten gaan. Het americanisme ‘alternative fact’ behoeft geen introductie meer. Maar: wat wordt ermee bedoeld? Wat is de invloed ervan en hoe ‘erg’ is het eigenlijk? Drijvende krachten achter de veranderingen in de wereld van nieuws en nieuwsvoorziening zijn de newssites op Internet, die de ‘oude’  media in een concurrentieslag met de digitale media hebben verwikkeld, de globalisering van het nieuws en de financiering van de media. Die financiering verloopt grotendeels via de markt en maakt kostbare, onafhankelijke onderzoeksjournalistiek steeds lastiger. De click-economie maakt het ook nog eens lucratief om nepnieuws de wereld in te sturen. Filosofen en ethici kunnen, aldus Vorstenbosch, op dit gebied een belangrijke rol spelen, o.a. omdat deze discussies steeds meer draaien om  fundamentele begrippen zoals feiten, waarheid en objectiviteit, waar hij een benadering aan toevoegt die primair vraagt naar houdbaarheid en relevantie van feitelijke beweringen over gebeurtenissen die in de media te vinden zijn. 

Daarnaast werd het nieuws in ons land ook beheerst door de pogingen tot formatie van een nieuw kabinet, pogingen die niet eenvoudiger werden door de botsing over ‘immateriele zaken’ tussen D66 en ChristenUnie. Een van de belangrijkste kwesties binnen die ‘immateriele zaken’ betreft het debat rond ‘euthanasie bij voltooid leven’. Waar het gaat om de aard van de aandoeningen die ten grondslag liggen aan een (gehonoreerd) verzoek om ‘euthanasie’ spitst de discussie zich vandaag de dag toe op speciale ‘groepen’ binnen de indieners van zo’n verzoek. Een daarvan is de groep ‘voltooid leven’. Twee andere groepen haalden ook met regelmaat het nieuws : de groep van psychiatrische patiënten en de groep met gevorderde dementie. Het leverde soms heftige discussies op, zoals tussen Boudewijn Chabot en Jacob Kohnstamm in de NRC.Bij alle drie groepen zorgt het honoreren door de arts van een verzoek om euthanasie derhalve voor de nodige problemen én voor de nodige discussie. In zijn bijdrage “Euthanasie en de aard van de aandoening. Over euthanasie bij dementie, psychiatrie en voltooid leven” neemt Ton Vink de problemen en de discussie onder de loep.

In dit nummer twee korte bijdragen van Frans Jacobs. In zijn bijdrage over “De tragische held” wil Jacobs de lezer wijzen op de figuur van de tragische held, zoals die in de klassieke oudheid werd gethematiseerd. Waarom? Omdat die tragische held gewoon een interessante figuur is. Of er daarnaast een actuele les uit te trekken valt, voor hedendaagse helden of ‘helden’ – of ‘lafaards’ of ‘terroristen’; de grens is soms vloeiend – wordt aan de lezer gelaten. 

In zijn tweede bijdrage gaat Frans Jacobs (oktober 2017 verschijnt zijn De essentie van Montaigne. ISVW-uitgevers) in op een filosoof die met name bekend werd door het stellen van een tamelijk basale vraag (die door de discussie over ‘alternatieve feiten’ toch ook weer in een nieuw daglicht verschijnt): Wat weet ik? Que sais-je. Was de steller van deze toch zeer filosofische vraag eigenlijk filosoof? Was Michel de Montaigne filosoof?   

Tussen deze laatste twee bijdragen in vindt de lezer de “Minima Philosophica: Freuds fundamentele regel” van Patrick Delaere. Geprikkeld door de vorig jaar maart te Amsterdam door Jonathan Lear gegeven Spinoza Lecturesgaat hij in op de vraag “wat moet een filosoof heden ten dage nog met Freuds erfenis? Kunnen Sigmund Freuds wetenschappelijke ideeën nog wel iets bijdragen aan ons zelfbegrip?” 

Er volgen daarna twee recensies: Sjaak Koenis bespreekt Onvermoed en onvermijdelijk. De vele gezichten van het neoliberalisme van Thomas Biebricher (onlangs in vertaling verschenen) en Michiel Korthals buigt zich over Dwalen in het antropoceen van René ten Bos. De rubriek Signalementen besluit zoals gebruikelijk ook dit F&P-nummer. 


FILOSOFIE & PRAKTIJK, 38 (2017) 1 - Discussie & debat:

In zijn oratie “De politieke theorie van het voltooide leven” gaat Paul Nieuwenburg in op het initiatiefwetsvoorstel van D66/Pia Dijkstra, de Wet toetsing levenseindebegeleiding van ouderen op verzoek. Als het aan D66 ligt, dan kunnen ouderen van 75 jaar en ouder binnenkort een waardige, zelfgekozen dood sterven. Dit wetsvoorstel laat zien dat er wel degelijk ook perfectionisten binnen het liberalisme zijn. Perfectionisten houden er een objectieve theorie van het goede leven op na, onafhankelijk geldend van de toevallige opvattingen en wensen van de mensen zelf. En dus, aldus Nieuwenburg, zal ik “eerst aantonen dat de politieke theorie die we uit het wetsvoorstel moeten destilleren een perfectionistische is – van de liberale overtuiging.  Ik zal dat doen door een analyse van het begrip voltooid leven dat we vinden in de Memorie van Toelichting (MvT) bij de wet. Dit begrip impliceert een theorie van het goede leven die John Stuart Mill niet zou misstaan. Vervolgens zal ik betogen dat deze theorie faalt – en faalt in haar eigen termen. Tenslotte zal ik laten zien wat de implicaties zouden moeten zijn van een echte liberaal-perfectionistische theorie – een theorie die in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel op interessante en misschien veelzeggende wijze verkeerd weergegeven wordt.” 

In zijn bijdrage “Een pleidooi voor aandacht voor Andipunten” onderzoek Eite Veening een vraag die op alle mogelijke plaatsen en in het denken van alle mogelijke mensen op alle mogelijke posities in wellicht elke maatschappij bijna dagelijks gesteld wordt, en wel de vraag: ‘waar ligt de grens’? Meestal is die vraag natuurlijk: waar trekken we de grens? Want die grens ligt zelden ergens zo dat die ‘gevonden’ zou kunnen worden. Over de plaats van die grens is ooit door iemand besloten of moet nog of weer worden besloten; die grens moet worden gesteld, getrokken, betwist. In dit artikel gaat het om de breedte van dat trekken van grenzen. Daarbij moet er ook een conceptuele en semantische ‘lacune’ gevuld worden die in het artikel zichtbaar zal worden: we kennen deze thematiek allemaal en we hebben het er heel vaak over en in de media gaat het er vrijwel dagelijks over, maar we gebruiken er geen soort-woord voor. We hebben geen term voor een brede gelijksoortige verzameling ‘kwesties’. 

Tim Wolff zorgt voor een reviewartikel naar aanleiding van het proefschrift Choosing Sharia: Multiculturalism, Islamic Fundamentalism and Sharia Councils van Machteld Zee (Universiteit Leiden). Het proefschrift heeft nationaal en internationaal, binnen en buiten de academische wereld, veel belangstelling gewekt, onder meer omdat de auteur toegang heeft gekregen tot enkele zogenaamde shariaraden in Engeland. Dat is bijzonder, zeker als de onderzoeker westers is en ook nog vrouw. Zee heeft haar (Engelstalige) proefschrift voor een breder publiek bewerkt tot het onlangs uitgekomen (Nederlandstalige) Heilige identiteiten. Op weg naar een shariastaat? Zee wil duidelijk de noodklok luiden en wat betreft de door haar onderzochte shariaraden is daar ook aanleiding toe. De vraag is of haar bredere claims over islamisering en multiculturalisme ook overtuigen. 

In een tweede reviewartikel gaat Steven Dorrestijn in op de publicatie van Maurits Martijn & Dimitri Tokmetzis Je hebt wél iets te verbergen, een boek met als ondertitel: Over het levensbelang van privacy. Daarmee gaat dit boek krachtig in tegen de veelgehoorde mening dat wie niets te verbergen heeft, toch ook niet bang hoeft te zijn om in de gaten gehouden te worden. Dat moeten we dus wel. In uitzonderingssituaties zoals een politieke omslag naar een totalitair bewind of oorlog kunnen data die nu onschuldig zijn plotseling letterlijk levensgevaarlijk worden. Dat is een indringende waarschuwing, die we eigenlijk al kennen, maar misschien niet serieus genoeg nemen. Echter, ook in het alledaagse leven krijgen we op allerlei manieren te maken met bemoeienis en beïnvloeding via techniek en data. Als dat ook klinkt als een abstract probleem, dan zal het lezen van dit boek daar zeker verandering in brengen. 

De Minima Philosophica, “Over goede en slechte emoties”, komen van de hand van Sjaak Koenis. Om iedereen recht te doen, kun je niet “aan de ene kant pleiten voor de redelijkheid van emoties om vervolgens aan de andere kant per decreet te bepalen dat sommige emoties onredelijk zijn zonder de inbreng van de betrokkenen serieus te nemen.” En dus moeten we naar een andere oplossing: “In plaats van een politiek van goede emoties voel ik meer voor zo'n ‘negatieve politiek’ (deze term ontleen ik aan Margalit) van het voorkomen van discriminatie en negatieve stereotypering, die onze samenleving op termijn wellicht wat fatsoenlijker kan maken.” 

Annemarie Kalis bespreekt in “Wat zoeken filosofen? Over de relatie tussen filosofie en geluk” de recente publicatie van HansThijssen: Wat filosofen weten. Over het verlangen naar geluk en de honger naar kennis. De levenskunstfilosofie is de laatste decennia sterk in opkomst. Boeken van auteurs als Joep Dohmen, Wilhelm Schmid en Alain de Botton vinden bij het publiek gretig aftrek, en ook in cursussen filosofie en filosofische publieksactiviteiten zoals Brainwash Festival staat de levenskunst regelmatig op het programma. Maar de levenskunstfilosofie lijkt vooral buiten de academische filosofie weerklank te vinden; aan de universiteit komt men haar zelden tegen. Hoe verhoudt de filosofie als discipline zich tot de vraag naar het geluk? 

In “Vrijheidspraktijken in wereldperspectief” bespreekt Noortje Delissen A New Dawn for the Second Sex: Women’s Freedom Practices in World Perspective van Karen Vintges. Wat kunnen we zeggen over de staat en status van het feminisme nu er bijna een halve eeuw verstreken is na Simone de Beauvoirs publicatie van De Tweede Sekse (1949)? Dit is de onderliggende vraag in Karen Vintges’ boek A New Dawn for the Second Sex. Maar in tegenstelling tot De Beauvoir, die de problematiek van staat en status van het feminisme vooral vanuit een westers perspectief leek te benaderen, probeert Vintges hier een nieuw, meer inclusief verhaal over vrouwenemancipatie wereldwijd naar voren te brengen. 

Michiel Korthals gaat in “De inventieve wereld van Darwin” in op Botanische revolutie van Norbert Peeters. In de uitvoerige inleiding van zijn boek laat Peeters zien dat de botanische belangstelling en studies van Darwin stelselmatig zijn onderschat. Ook tijdens zijn Beagle reis was Darwin helemaal niet geïnteresseerd in Darwinvinken of andere dieren, maar in planten. Na de inleiding volgt in de diverse hoofdstukken een bespreking van een vijftal boeken dat Darwin schreef over planten, hun betekenis en ingewikkelde leven. 

Gijs van Oenen gaat in “Mild over politieke boosheid” in op De januskop van de democratie. Over de bronnen van boosheid in de politiek van Sjaak Koenis. Linkse nostalgici denken dat in de jaren zestig nog politiek werd bedreven vanuit rebelse idealen, terwijl we tegenwoordig maar zitten opgescheept met rechts ressentiment en populisme. Koenis wil dit beeld corrigeren. Rebelse idealen en populisme, zo stelt hij, worden aangedreven door een en hetzelfde psychologische mechanisme: boosheid. Het verschil is: vijftig jaar terug kwam de politieke boosheid van links, tegenwoordig komt die van rechts. Het is een kwestie van perceptie en politieke voorkeur of we die boosheid framen als rebels of als rancuneus. Belangrijker is wat mensen doen met hun woede. De ‘elfde stelling’ van Koenis luidt met andere woorden: de filosofen hebben de politieke boosheid tot nu toe alleen verschillend benoemd; het gaat erom, haar serieus te nemen. 

Het decembernummer van F&P jaargang 2016 bevatte een reviewartikel “Hoe zo ‘voltooid leven’?” (pp. 67-77). In een vervolg op die review zorgen Carlo Leget en Els van Wijngaarden voor een antwoord namens de auteurs van de besproken publicaties, gevolgd door een korte reactie van de reviewer en een slotreactie namens de auteurs. De kwestie ‘voltooid leven’ blijft voorlopig in de belangstelling staan. Bijvoorbeeld omdat de Hoge Raad de zaak van Albert Heringa heeft terugverwezen naar het hof te ’s-Hertogenbosch, maar ook omdat Pia Dijkstra (D66) haar wetsvoorstel  in het vooruitzicht heeft gesteld, in de openingsbijdrage van dit nummer van F&P besproken. We zijn we er dus nog niet vanaf. 

De rubriek Signalementen besluit, zoals gebruikelijk, ook dit nummer van F&P.