Dit voorjaarsnummer 2014 van F&P is grotendeels gewijd aan het thema “Oorlog en Ethiek”, dit naar aanleiding van het gelijknamige symposium dat de Vereniging van Ethici in Nederland in oktober 2013 organiseerde. Alle bijdragen (zes stuks) in het themagedeelte stammen van het bewuste symposium en dragen daar vanzelfsprekend ook de sporen van. De redactie van dit themagedeelte lag in handen van Koos van der Bruggen, die ook voor de invulling van de rubriek Minima Philosophica zorgde.

De openingsbijdrage, “Militaire technologie en interventie-ethiek” is van de hand van Joris Voorhoeve, oud-minister van Defensie. Tegen de achtergrond van de criteria die in 2001 zijn verwoord door de Internationale Commissie inzake Interventie en Soevereiniteit plaatst Voorhoeve onder meer een aantal kritische opmerkingen bij het gebruik van drones, robots, en niet-lethale technologie. Hij benadrukt dat primair de rationeel te verwachten gevolgen van beslissingen in de politiek de doorslag moeten geven.

Vervolgens wijst Bob de Graaff in zijn bijdrage “Forever war?” erop dat we inmiddels moeten spreken van een ingetreden toestand van ‘eeuwige oorlog’. Oorlog is zo langzaamaan ‘muzak’ geworden. En dan is het zaak om stil te staan bij wat wij in dat geval onder ‘oorlog’ moeten verstaan want het ontbreken van een gemeenschappelijke definitie op dit punt is zeker niet zonder risico: het zou zo maar kunnen gebeuren dat de ene partij een handeling verricht die volgens haar geen oorlogshandeling is, terwijl de tegenpartij die gedraging wel als zodanig zal interpreteren en er vanuit een oorlogsperspectief op zal reageren.

In “Het boemerangeffect van bewapende drones” wijs Lambèr Royakkers op de risico’s en gevaren van bewapende drones. Deze risico’s en gevaren zouden wel eens kunnen leiden tot een averechts effect op lange termijn. Alle reden, aldus Royakkers, om de inzet van deze drones internationaal te bespreken. Hij bepleit hierbij een voortrekkersrol voor Nederland dat zich meer publiekelijk uit zou kunnen spreken over de manier waarop de VS hun drone-programma uitvoert. Daarnaast is het van belang dat het komt tot een breed internationaal debat over gevolgen en verantwoorde inzet van bewapende drones.

Aansluitend onderzoeken Koos Bras en Thomas Mertens in hun bijdrage de tactiek van ‘doelgericht doden’. Het gaat bij dit ‘doelgericht doden’ om één van de meest omstreden tactieken in de tegenwoordige ‘oorlogen’: het opzettelijk doden van een te voren geselecteerd individu door een subject van het internationaal recht. Moet dit doelgericht doden als een nieuwe variant van Kants sluipmoord begrepen worden en dus categorisch worden verboden? Of moet die tactiek op een andere manier begrepen worden? In hun conclusie wijzen de auteurs onder meer op het risico dat deze praktijk van het doelgericht doden naar een toestand van permanente oorlog kan leiden, het tegendeel van wat Kant beoogde bij het bedenken van de voorwaarden waaronder de mensheid een toestand van permanente vrede zou kunnen bereiken. Daarom is ‘doelgericht doden’ een praktijk die ons zorgen dient te baren.

Desiree Verweij onderzoekt in haar bijdrage of er in de ‘traditie van de rechtvaardige oorlog’ wellicht aanknopingspunten te vinden zijn die bij kunnen dragen aan het zoeken naar antwoorden op de vragen die ons (overigens niet alleen in het Westen) kennelijk al millennia lang bezig houden: Wat zijn de mogelijkheidsvoorwaarden voor een daadwerkelijke ‘rechtvaardige oorlog’? Daarbij gaat haar speciale aandacht uit naar de vraag of het criterium van de ‘juiste intentie’ of de ‘juiste innerlijke dispositie’ als een van die mogelijkheidsvoorwaarden kan fungeren? Of representeert dit criterium juist een van de grootste valkuilen?

In zijn Minima Philosophica weegt Koos van der Bruggen het optimisme van de profeet Micha: “Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegijzers omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren”. Het themagedeelte wordt daarmee Bijbels afgesloten.

Ook Menno Kamminga en Ronald Tinnevelt sluiten hun discussie af, nu over ‘Europa’, Cees Maris en Petran Kockelkoren zorgen voor twee reviewartikelen en een recensie en enkele signalementen besluiten het formele deel van dit F&P-nummer.

Het VFP-katern. Tenslotte biedt het VFP-katern, zoals gebruikelijk, de Vereniging voor Filosofische Praktijk (VFP) een podium om met de eigen leden en de buitenwereld te communiceren, met bijdragen van Annemarie Soeteman, Eite Veening en Marja Havermans. Het VFP-katern heeft daarbij een eigen onafhankelijke redactie.