HET MEEST RECENTE NUMMER VAN F&P, maart 2018:

FILOSOFIE & PRAKTIJK, 39 (2018) 1; thema's:

Privacy & nepnieuws / Een zelfgekozen levenseinde 

Dit eerste nummer van de negenendertigste jaargang van Filosofie & Praktijk heeft twee thema’s tot onderwerp: ‘Privacy en nepnieuws’ en ‘Een zelfgekozen levenseinde’. 

Het thema ‘Privacy en nepnieuws’ opent met een artikel van Bart van der Sloot “Een nieuwe benadering van het recht op privacy. Hoe het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het republicanisme omarmde”. Daarin bespreekt Van der Sloot het recht op privacy, de technologische ontwikkeling en de leidende jurisprudentie in dit kader van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Zijn uitgangspunt is tweeledig: Om te beginnen de constatering “Het recht op privacy komt door een aantal technologische ontwikkelingen steeds meer onder druk te staan. Een voorbeeld is het onderscheid tussen de privésfeer en de publieke sfeer. Alhoewel dit onderscheid nooit absoluut is geweest, kon globaal een onderscheid worden gemaakt tussen het huis van een persoon, waar het grootste deel van het privéleven plaatshad, en de openbare ruimte, waar het publieke en openbare leven zich voltrok. Beide sferen worden in toenemende mate hybride.” Maar met daarnaast de vaststelling “Andersom wordt ook de publieke sfeer steeds meer hybride. Privéhandelingen en privéobjecten zijn steeds vaker in deze ruimte gesitueerd. Een voorbeeld kan zijn de mobiele telefoon, iPad of laptop. Hierop staat een groot deel van het privéleven van mensen en deze apparaten worden meegenomen en benut juist in de publieke ruimte.” Hoe verhoudt zich hier nationale wetgeving tegenover Europese bescherming van grondrechten? 

De volgende bijdrage “‘Nepnieuws’. Filosofische gedachten over het nieuws” is het tweede deel  van een tweeluik van Jan Vorstenbosch over ‘nepnieuws. In zijn eerdere beschouwing over ‘alternatieve feiten’ hield Vorstenbosch een pleidooi voor een serieuze interpretatie van de notie van ‘alternatieve feiten’ in het kader van een filosofie van het nieuws. Daarbij beschouwt hij het begrippenpaar ‘houdbaarheid’ en ‘relevantie’, ontleend aan de argumentatieleer van de Noorse filosoof Arne Naess, als een mogelijk vruchtbaar kader naast de meer gebruikelijke publieke discussies over ‘waarheid’, ‘onpartijdigheid’ en ‘objectiviteit’ van journalistieke berichtgeving. In deel 1 van het tweeluik ging het over houdbaarheid van feitelijke beweringen in nieuwsberichten. In dit artikel gaat het over relevantie van nieuwsberichten. Vorstenbosch probeert de gebruikelijke vereenzelviging te vermijden van ‘alternatieve feiten’ (zoals gebruikt in de discussie, altijd met aanhalingstekens, onhoudbare/onware, bewust leugenachtige en disruptieve berichten) en nepnieuws. Nepnieuws veronderstelt een idee van ‘echt’, relevant nieuws, afkomstig van een ‘echte’ nieuwsbron, ‘alternatieve feiten’ veronderstelt een idee van onhoudbare claims in nieuwsberichten. Sluitstuk vormt de oproep aan filosofen om zich, op wat voor manier dan ook, bezig te gaan houden met fundamentele vragen rond de praktijken van berichtgeving en nieuwsvoorziening in deze tijden. 

In zijn Minima Philosophica “Feit of fictie, de nieuwe macht van de mythe” zorgt Petran Kockelkoren ervoor dat Jan Vorstenbosch op zijn wenken bediend wordt: “Jaarlijks verrijken nieuwe woorden de Nederlandse taal, maar er zijn er maar weinig die zoveel filosofische discussies hebben opgerakeld als het begrip ‘nepnieuws’.” Wat is feit en wat is fictie? En wat is een juiste aanpak? “Fantasten bestoken met feiten heeft weinig zin, hun de verbeelding leren beteugelen wel.”  

Het thema van ‘Een zelfgekozen levenseinde’ opent met de bijdrage “De zaak-Heringa, het eerste decennium 2008-2018” door Ton Vink. Het artikel bevat een overzicht van belangrijke momenten uit het eerste decennium waarin de inmiddels bijna ‘klassieke’ zaak-Heringa zich afspeelt (2008-2018). Er bestaan daarbij opvallende verschillen tussen de vonnissen, en het ‘schuldig’ in ‘schuldig zonder strafoplegging’ uit 2013 voelt als een heel ander ‘schuldig’ vergeleken met het ‘schuldig’ in ‘schuldig met een gevangenisstraf van zes maanden geheel voorwaardelijk’ uit 2018. Was er sprake van ongerechtvaardigd optimisme? Of speelt er iets anders? Daarnaast besteed Vink aandacht aan de bijzondere positie van de hoofdpersonen, aan de vraag hoe en waarom de zaak überhaupt voor de rechter is gekomen en aan wat dit betekent: niet iedereen – denk ook aan de Coöperatie Laatste Wil – lijkt zich even goed bewust van de juridische werkelijkheid en risico’s. En ‘last’, maar zeker niet ‘least’ is er de vraag naar het belang van de rol die mogelijkerwijs is weggelegd voor Europese jurisprudentie, al moet die rol, zo zal blijken, echt nog handen en voeten krijgen. Europees recht weegt echter wel zwaarder dan nationaal recht en dat maakt deze rol tot een punt van blijvend belang, op voorwaarde natuurlijk dat het Europese recht hier een rol krijgt.” 

In “Zelfgekozen levenseinden: hoe lang nog? ‘Leven’, ‘geest’ en ‘dood’ als dwaallichten op weg naar Eijsbouts’ hiernamaals” reageert Hendrik Kaptein op een eerdere bijdrage van Tom Eijsbouts in het vorige nummer van F&P; Eijsbouts geeft een kort antwoord. Kaptein verdedigt dat zelfgekozen levenseinden niet kunnen berusten op keuzen voor de dood en tegen het leven, maar alleen te maken hebben met keuzen voor kortere en betere in plaats van langere en slechtere levens. In zijn bijdrage keerde Eijsbouts zich daartegen: kennis van de dood is er wel degelijk. Dan zouden zelfgekozen levenseinden toch kunnen berusten op voorkeuren voor de dood boven het leven; een opvatting waarin hij niet alleen staat. Maar Kaptein betoogt dat ‘wetenschap van de dood’ tenminste dubbelzinnig is. Niemand kan weten hoe het is om dood te zijn, net zo goed als wetenschap van de dood wél is gegeven in wetenschap van eigen en andermans sterfelijkheid en van de gevolgen daarvan. Het heeft er de schijn van dat Eijsbouts deze dubbelzinnigheid is ontgaan. Dat alles doet natuurlijk niets af aan het feit dat het ieder uiteraard vrijstaat om in van alles te geloven, “hoe het is om dood te zijn” incluis; maar, aldus Kaptein, daar hoort bij dat ‘mijn leven’ en ‘mijn dood’ nooit meer dan metaforen zijn waarmee zo goed mogelijk moet worden geleefd.  

Is geboren zijn – je zou er bijna wat van denken – dan misschien een ongemak? Patrick Delaere recenseert The Human Predicament. A Candid Guide to Life’s Biggest Questions (Oxford 2017) van David Benatar, auteur van Better never to have been (Oxford 2006). Zou de aarde niet beter afgeweest zijn zonder mensheid? Hoe Benatars pleidooi voor ‘realisme met een zwart randje’ op de individuele lezer overkomt zal, aldus Delaere, anders dan Benatar hoopt, niet alleen een kwestie zijn van argument maar ook van temperament.

----------------------------------------