HET MEEST RECENTE NUMMER VAN F&P, september 2020: 

FILOSOFIE & PRAKTIJK, 41 (2020) 3, thema: 

IDENTITEIT


Identiteit is een geruststellend concept. Wie zichzelf identiteit toekent meent te beschikken over zelfkennis en heeft een besef van eigenheid die niet fundamenteel wordt aangedaan door innerlijke en uiterlijke veranderingen. Het belang van een goed ontwikkelde persoonlijke identiteit is evident. Evenwicht en zelfvertrouwen zijn voorwaarden om vrij en autonoom in de wereld te kunnen optreden. Identiteit is evenwel geen statisch begrip. De dynamiek krijgt gestalte in onze omgang met anderen. In de persoonlijke levensgeschiedenis vormen wij onszelf binnen de familie waarin we opgroeien en ontwikkelen wij ons door de relaties die we aangaan. In de algemeen menselijke geschiedenis leveren gender, cultuur, ras, natie en religie de waarden die we in meer of mindere mate articuleren om onszelf vorm te geven. Identificatie is slechts één aspect van de ontwikkeling van een eigen identiteit, de omgekeerde richting van toeschrijving is een ander aspect. Als er specifieke noties verbonden zijn met ‘mannelijkheid’ dan laten deze de individuele man niet ongemoeid. Een zekere onvrijheid en inauthenticiteit liggen op de loer, bijvoorbeeld door het ongemak van het keurslijf of de zelfopgelegde herhaling van het rolmodel. Identiteit is op deze manier ook het resultaat van mogelijkheden en bedreigingen van buitenaf. We kunnen bovendien aangesproken of juist genegeerd worden omwille van een identiteit die ons ongevraagd wordt toegeschreven. In die zin is identiteit ook een verontrustend concept. In de sferen van politiek en cultuur kan het inzet worden van machtsstrijd, discriminatie en polarisatie.

Het themagedeelte in dit F&P-nummer over identiteit – onder redactie van Patrick Delaere, Cees Maris en Frank Rebel – opent met “Nederlands Gouden Eeuw en de nationale identiteit” door Maarten Prak: “Op donderdag 12 september 2019 kondigde het Amsterdam Museum aan dat het de term ‘Gouden Eeuw’ zou vervangen door de neutrale aanduiding ‘zeventiende eeuw’.” De gevolgen waren in het huidige tijdsgewricht vrij voorspelbaar: ‘links’ vond het een goed idee, ‘rechts’ was tegen en de wetenschapper zocht de nuance. Stond de Nederlandse identiteit hier op het spel? En is dit eigenlijk wel zo zwart-wit: “Net als over de Tweede Wereldoorlog, toen de Nederlanders niet allemaal ‘goed’ of ‘fout’ waren en tussen die twee uitersten allerlei schakeringen van gedrag bestonden, kun je over de Gouden Eeuw uiteenlopende verhalen vertellen. Het debat dat losbarstte naar aanleiding van het besluit van het Amsterdam Museum om de term ‘Gouden Eeuw’ te laten vallen, maakt nog eens heel duidelijk hoe diep die term in het Nederlands bewustzijn verankerd is.”

Maar ook elders wordt identiteit gekoesterd, al gaat dat daar anders, zoals Machiel Keestra laat zien in zijn bijdrage “Van narratieve tot dialogische identiteit. Identiteit en refiguratie tijdens de Keti Koti Tafel”. Als iets hetzelfde kan blijven en toch tegelijkertijd aan verandering onderhevig kan zijn, geldt dan niet ook voor ‘identiteit’ dat het geen stilstand en onveranderlijkheid hoeft te beteken? Wordt ‘identiteit’ dan niet juist een verhaal, een narratief dat plaatsvindt als dialoog die raakt aan identiteit? Zorgt dit wellicht voor een geheel nieuwe uitdaging en verrijking van dat narratief, met een grote impact voor zowel het individu als voor de relatie? “Deze vragen wil ik in dit artikel onderzoeken, gemotiveerd door zowel het filosofische perspectief als door mijn ervaringen als mede-initiatiefnemer van de ‘Keti Koti Tafel’, waarin een dergelijke dialoog centraal staat.”

Ook in politiek en recht speelt ‘identiteit’ steeds meer een rol, zoals Yussef Al Tamimi in zijn bijdrage “Identiteit en emoties bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens” laat zien: “De ruk naar populisme in de Verenigde Staten en Europa heeft ertoe geleid dat vraagstukken over identiteit in toenemende mate politieke en publieke debatten domineren.” En ook in het recht speelt identiteit een steeds grotere rol doordat verschillende groepen en individuen erkenning van hun identiteit bij de rechter zoeken. Dat gaat niet zonder problemen: “Mensenrechten worden doorgaans gezien als de vertegenwoordiging van objectieve en universele belangen die van nature tot de mens behoren. Hoe kan zo iets subjectiefs als identiteit dan toch bescherming genieten in het recht?” Al Tamimi richt zijn aandacht op het identiteitsbegrip van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en vergelijkt dat begrip met twee gevestigde identiteitstheorieën uit de sociale filosofie, die van Charles Taylor en Axel Honneth.

Dat ‘identiteit’ al snel raakt aan de problematiek van ‘discriminatie’ onderzoekt Cees Maris in zijn korte bijdrage “Zwart-wit in een niet-ideale communicatiegemeenschap”. In Nederland heeft het gedrag van politie, woningbouwvereniging en belastingdienst de vraag naar het bestaan van ‘structureel racisme’ opnieuw onder de aandacht gebracht. Bij Reni Eddo-Lodge, Engelse activiste met een Nigeriaanse achtergrond, liep de onvrede over dergelijk ‘racisme’ zo hoog op dat ze in 2014 een blogtekst schreef met de veelzeggende titel: Waarom ik niet langer met witte mensen over racisme praat. Helpt dat laatste, of is het niet juist een reden wél te praten?

In haar “Minima Philosophica: Lang leve het vrouwenquotum” gaat Evelien Tonkens in op de twee meest gehoorde argumenten tegen een vrouwenquotum: “Wanneer vrouwen de baas worden dankzij een quotum, danken ze die positie aan hun sekse en dus niet aan hun kwaliteiten. Een vrouwenquotum gaat daarmee ten koste van de kwaliteit. Het is ook slecht voor het zelfvertrouwen van vrouwen. Immers, omdat ze vanwege hun sekse in plaats van hun kwaliteiten worden aangenomen, zullen ze zich onzeker voelen over hun kwaliteiten, en zullen anderen daar ook minder vertrouwen in hebben.”

Hieraan aansluitend bespreekt Patrick Delaere De leugens die ons binden. Een nieuwe kijk op identiteit van Kwame Anthony Appiah, de Nederlandse vertaling van The Lies That Bind. Rethinking Identity: Creed, Country, Color, Class, Culture uit 2018. In dit boek verzet Appiah zich tegen essentialistische opvattingen van identiteit, berustend op misleidende stereotyperingen (ras, natie, de geclassificeerde religies…). Identiteiten zijn veel vloeibaarder en gecompliceerder dan algemeen wordt aangenomen. Wat betekent dit voor het verwijt van ‘culturele toe-eigening’?

 

En verder in dit nummer:

Vragen zijn er in soorten en maten. In een korte column vertrekt Laura Keulartz vanuit een normaal gesproken best wel prangende vraag: “Wie is er nou gek: de psychiater, mijn man, of ik?”

De volgende bijdrage is van de hand van Klaas Rozemond: “Zelfbeschikking en wilsbekwaamheid van mensen met dementie in verband met beslissingen over euthanasie: de paradigmawisseling in de medische ethiek en het gezondheidsrecht”, over de zaak van de verpleeghuisarts die het leven beëindigde van een patiënte met gevorderde dementie. Rozemond beargumenteert dat “niet is vastgesteld dat de patiënte wilsonbekwaam was volgens gangbare juridische en medische procedures en criteria.” En voor wie daar vreemd van opkijkt: “Ook de Hoge Raad heeft zich in zijn twee arresten niet uitgelaten over de vraag wat de betekenis van wilsonbekwaamheid in juridische en medische zin is en ook niet over de wijze waarop wilsonbekwaamheid moet worden vastgesteld. De Hoge Raad heeft zich evenmin uitgesproken over de betekenis van het zelfbeschikkingsrecht van patiënten met dementie in verband met beslissingen over hun levenseinde.” En dat betekent dat twee kernbegrippen ‘wilsonbekwaamheid’ en ‘zelfbeschikkingsrecht’ noodzakelijk om nader onderzoek vragen. In deze bijdrage een degelijke voorzet daartoe.

François Levrau bespreekt in “Democratie als entertainment?” het nieuwe boek van Thomas Decreus Spektakeldemocratie waarin Decreus uitlegt wat er volgens hem fout gaat met de democratie. Zoals gebruikelijk eindigt ook dit nummer van F&P – door corona-omstandigheden nog pas no. 3 van deze jaargang – met de rubriek Signalementen. 





----------------------------------------