HET MEEST RECENTE NUMMER VAN F&P, september 2018:

FILOSOFIE & PRAKTIJK, 39 (2018) 3; thema:

Filosofisch racisme & Tirannie van de minderheid 


Dit derde nummer van de negenendertigste jaargang van Filosofie & Praktijk opent met het vervolg op de vraag naar racisme in de westerse filosofie. Cees Maris presenteert het tweede deel van zijn tweeluik. 

    Deel 1 van zijn essay (zie het vorige nummer van F&P) gaat over filosofisch racisme. Geestelijke voorvaderen van de liberale politieke filosofie vertoonden een bedenkelijke houding jegens kolonialisme en slavernij. Kant heeft zich expliciet racistisch uitgelaten, Locke heeft op zijn minst zijn handen vuilgemaakt aan de koloniale slavernij. Vandaar dat Afrikaanse filosofen als Mogobe Ramose de westerse filosofie verwerpen als een imperialistisch project. Ramose acht de politieke moraal van de Afrikaanse Ubuntu-filosofie superieur aan de liberale staatsleer met haar individuele mensenrechten. Volgens Wouter Veraart (VU) is de liberale politieke theorie als zodanig inderdaad besmet door dit racistische verleden. Maris brengt tegen deze laatste stelling in dat ze het onderscheid tussen genese en rechtvaardiging miskent. De liberale theorie heeft zich inmiddels gezuiverd van haar historische zonden; de liberale grondbeginselen van vrijheid en gelijkheid verbieden juist slavernij en koloniale onderwerping.

In deel 2 in dit F&P-nummer gaat Maris nader in op de oproep van Ramose en Veraart tot een dialoog tussen westerse en niet-westerse visies. Het gaat in het bijzonder om het afro-communalistische ideaal van Ubuntu (menselijkheid), dat volgens Ramose en geestverwanten ook buiten Afrika aantrekkelijk kan zijn. Maar in de Afrikaanse politieke filosofie is Ubuntu een omstreden concept. Daarom wordt Ramose’s Afrikaanse filosofie door ubuntu geplaatst in het bredere Afrikaanse Ubuntu-debat. Deze uiteenzetting mondt uit in een meerstemmige dialoog waarin het Ubuntu-ideaal wordt vergeleken met het politiek liberalisme.

        Gezien het debat in de Afrikaanse politieke filosofie concludeert Maris dat het Ubuntu-ideaal minstens twee varianten kent, die in een kritische dialoog met het liberalisme kunnen worden vergeleken op aantrekkelijkheid. Hij eindigt met een voorbeeld van zo’n dialoog.


Vervolgens buigt François Levrau zich over de vraag “Heerst de tirannie van de minderheid? Over rechten, multiculturalisme en dialoog”.

De vraag die hij in zijn artikel onderzoekt is of er zoiets bestaat (of kan bestaan) als een ‘tirannie van de minderheid’. “Is het zo dat de samenleving, mede als gevolg van de grondwettelijke bescherming tegen de tirannie van de meerderheid, het risico loopt te worden gevormd in functie van datgene wat een ‘onverzettelijke minderheid’ wil?”

Hij licht eerst toe wat hij met een ‘onverzettelijke minderheid’ bedoelt en beschrijft het principe aan de hand waarvan zij haar impact zou kunnen laten gelden. Vervolgens legt hij uit waarom de logica van de onverzettelijke minderheid een instrument is op basis waarvan xenofobische/islamofobe retoriek kan gedijen. De daarop volgende paragraaf diept dit conceptueel onderscheid verder uit. Kunnen we ons beroepen op criteria die bepalen welke claims wel/niet kunnen worden geaccommodeerd, zonder dat men daarbij de angst moet hebben door de dictaten van de minderheid te worden overheerst?

Vervolgens komt aan bod de mate waarin internationale verdragen en de codificatie van universele rechten in nationale wetgeving ervoor hebben gezorgd dat het (culturele) zelfbeschikkingsrecht van de meerderheidsgroep werd beperkt ten voordele van minderheidsgroepen, en de vraag of de interculturele dialoog enig soelaas kan brengen in de ‘erkenningsstrijd’ tussen meerderheidsgroep en minderheidsgroep. Tegen de achtergrond van het werk van Will Kymlicka alsmede Bhikhu Parekh en Chandran Kukathas bespreekt Levrau ook het alternatief van een samenleving die uit naast elkaar bestaande groepen bestaat. 

 

In zijn Minima Philosophica bespreekt Ton Vink de vraag naar de bescherming van dan wel tegen journalisten. “Want ja, (goede) journalistiek kan ook in verval raken. Impact, ophef en sensatie zijn de Homerische Sirenen voor de journalist van vandaag, en iets heel anders dan waarheidsvinding.”

 

Alfred Archer buigt zich in bijdrage over de vraag naar de “Bewondering van het immorele”. Een klassiek voorbeeld levert natuurlijk Roman Polanski (die schuld bekende en zijn land ontvluchtte) maar die lang niet de enige beroemdheid is die immoreel heeft gehandeld. De recente #metoo campagne heeft ertoe geleid dat een aantal bekende artiesten – onder wie Louis CK en Kevin Spacey, maar de rij wordt langer – werd beschuldigd van immoreel gedrag.

Is het gepast om deze artiesten ondanks hun immorele gedrag te bewonderen om hun artistieke talenten?  Archer analyseert twee manieren om de stelling te verdedigen dat het bewonderen van immorele kunstenaars moreel problematisch kan zijn. De eerste redenering is gebaseerd op de opvatting dat bewondering een waardering van iemands volledige persoonlijkheid inhoudt. Hier legt Archer uit waarom deze redenering niet overtuigend is. Vervolgens stelt hij een alternatieve argumentatie voor die wel overtuigend aangeeft waarom bewondering voor immorele kunstenaars een belediging van hun slachtoffers kan inhouden.

 

In de volgende bijdrage houdt Ton Vink in “Wil, wilsverklaring & verantwoordelijkheid” een “Pleidooi voor een nieuwe lezing van art. 2.2 van de euthanasiewet.” Hij betoogt dat problematische casuïstiek inzake de toepassing van art. 2.2 van de Wet Toetsing Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) waar het gaat om patiënten met gevorderde dementie de laatste jaren laat zien dat de oorspronkelijke lezing van dit onderdeel van de WTL negatief blijkt uit te pakken, voor alle betrokkenen: voor de patiënt, voor de naasten en latere nabestaanden, en voor de dokter. 

    Er zijn sinds het vankrachtworden van de WTL alweer meer dan vijftien jaar gepasseerd. Er is in die jaren ervaring opgedaan, veel ervaring. En van ervaring kun je – moet je – leren. En dat kan resulteren in een nieuwe lezing van art. 2.2. Tijd dus voor een poging tot zo’n nieuwe lezing en een bespreking van de mogelijkheden die er in geval van dementie wel degelijk zijn om te komen tot een ‘goede dood’.

 

Daarna bespreekt Tim Wolff De populistische verleiding. De keerzijde van de identiteitsillusie van Sybe Schaap en buigt Pieter Pekelharing zich in een column over de bestseller Homo Deus. A brief history of tomorrow van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. De gebruikelijke Signalementen sluiten dit nummer van F&P af.

----------------------------------------